tjoefie

natuurkunde havo 2002 · tijdvak 1 · natuurkunde 1

A4-weergave

opgave 1Opgave 1 Binnenverlichting

Bij een bepaald type auto bestaat de binnenverlichting uit twee parallel geschakelde
lampjes. De lampjes zijn aangesloten op de 12 V-accu van de auto. Elk lampje heeft bij die
spanning een vermogen van 5,0 W.
13p
Bereken de weerstand die één lampje dan heeft.
22p
Bereken de stroomsterkte die de accu levert als alleen de binnenverlichting aan is.
Bij het openen van een deur van deze auto gaat de binnenverlichting aan. Na het sluiten van
de deur gaat de binnenverlichting niet meteen uit. Dit gebeurt pas na enige tijd. Hiervoor
gebruikt men een schakeling met verwerkers. Zie figuur 1. Het ingangssignaal bij S1 is
alleen hoog bij geopende deur. De binnenverlichting brandt als het uitgangssignaal in A
hoog is.
figuur 1
geheugencel S s 1 M A r teller pulsgenerator EN- telpulsen 16 poort 8 aan/uit 4 & 2 reset 1
De teller begint te tellen vanaf het moment dat de deur gesloten wordt.
33p
Leg met behulp van figuur 1 uit dat de teller op dat moment begint te tellen.
De binnenverlichting gaat uit als de teller op 10 staat.
43p
Leg dat uit met behulp van figuur 1.
De tijd dat de binnenverlichting aan blijft, kan men instellen met behulp van de
pulsgenerator.
Om de binnenverlichting na 7,0 s te laten uitgaan, moet de pulsgenerator op een bepaalde
frequentie worden ingesteld.
53p
Bereken deze frequentie.
Het nut van de wachttijd van zeven seconden is dat de bestuurder na het sluiten van de deur
niet in het donker zit wanneer hij de sleutel in het contact steekt. Na het starten van de auto
hoeft de binnenverlichting niet meer aan te blijven.
Om te bereiken dat de binnenverlichting meteen na het starten van de motor uitgaat, moet
de schakeling van figuur 1 iets worden aangepast. Zie figuur 2.
figuur 2
geheugencel S s 1 M A r teller pulsgenerator EN- telpulsen 16 poort 8 aan/uit 4 & 2 reset 1 S 2
Als de bestuurder de auto start, wordt het ingangssignaal bij S2 hoog.
Figuur 2 staat ook op de bijlage.
63p
Maak de schakeling in de figuur op de bijlage af door in de met een streepjeslijn
aangegeven rechthoek één of meer verwerkers en de noodzakelijke verbindingen te tekenen.

opgave 2Opgave 2 Aardwarmte

Hoe dieper je de aarde ingaat, hoe hoger de temperatuur wordt. Deze temperatuurstijging in
de aardbodem wordt vooral veroorzaakt door energie die vrijkomt bij het verval van
radioactieve stoffen. Eén van de stoffen die vervalt is 238 U.
73p
Geef de vervalreactie van 238 U.
Er is studie verricht naar de bruikbaarheid van aardwarmte voor het verwarmen van kassen
in het Westland. Op een diepte van 2,3 km bevindt zich daar water met een temperatuur
van 89 ° C. De temperatuur aan het aardoppervlak is in het Westland gemiddeld 8,1 ° C.
82p
Bereken de gemiddelde temperatuurstijging per meter diepte in het Westland.
Door het warme water op te pompen en af te koelen komt warmte vrij.
93p
Bereken hoeveel warmte vrijkomt als 1,0 ⋅ 103 kg water afkoelt van 89 ° C tot 8,1 ° C.
Er is echter ook energie nodig om het water omhoog te pompen.
103p
Bereken de energie die minimaal nodig is om 1,0 ⋅ 103 kg water 2,3 km omhoog te pompen.
De studie heeft opgeleverd dat met het verwarmen van 40 hectare tuinbouwkassen door
aardwarmte per jaar 7,5 ⋅ 106 m3 aardgas kan worden bespaard.
112p
Noem twee argumenten waarom aardwarmte de voorkeur heeft boven het verbranden van
aardgas.

opgave 3Opgave 3 Beweging op een hellend vlak

Pieter en Anne doen onderzoek naar de beweging van een karretje op een hellend vlak.
Zij gebruiken een afstandssensor om de positie van het karretje te bepalen. De sensor is
aangesloten op een computer die de metingen opslaat en bewerkt. Figuur 3 geeft hun
opstelling schematisch weer.
figuur 3
afstands- sensor computer x
De afstandssensor meet de positie van de achterkant van het karretje; daar is een stuk karton
aangebracht waarop de sensor gericht is. In figuur 4 en 5 staan het ( x,t )-diagram en het
bijbehorende ( v,t )-diagram die de computer van de beweging van het karretje heeft gemaakt.
figuur 4
1,6 x 1,4 1,2 1,0 0,8 0,6 0,4 0,2 0,0 0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 t (s)
figuur 5
0,8 v (m/s) 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 0,0 0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 t (s)
Pieter en Anne willen controleren of het ( v,t )-diagram en het ( x,t )-diagram met elkaar in
overeenstemming zijn. Ze nemen het tijdstip t = 1,5 s als controletijdstip.
De figuren 4 en 5 staan vergroot op de bijlage.
124p
Toon met behulp van de figuren op de bijlage aan dat voor het genoemde tijdstip het
( v,t )-diagram van de computer klopt met het ( x,t )-diagram. Pas daarvoor óf de
raaklijnmethode óf de oppervlaktemethode toe.
Zij komen vervolgens tot de conclusie dat de beweging van het karretje eenparig versneld
is.
132p
Leg uit dat hun conclusie juist is.
143p
Bepaal de versnelling van het karretje.
In het experiment waarvan de resultaten in figuur 4 en 5 zijn weergegeven, is de invloed
van de luchtweerstand niet merkbaar. Pieter en Anne willen een verandering in hun
experiment aanbrengen waardoor de invloed van de luchtweerstand wel merkbaar is.
153p
Noem een verandering die je hen zou adviseren. Geef daarbij een toelichting.

opgave 4Opgave 4 Fietsverzet

In figuur 6 staat een plaatje van een
sportfiets.
De kracht die de fietser uitoefent op de
trapper wordt via het voortandwiel, de ketting
en het achtertandwiel overgebracht naar het
achterwiel. (Het kleine wieltje onder het
achtertandwiel dient om de ketting strak te
houden en is voor de overbrenging niet van
belang.)
De trappers en het voortandwiel vormen één
geheel en draaien om dezelfde as, de
zogenaamde trapas. Zie figuur 7.
figuur 6
figuur bij de opgave
Tijdens het fietsen werken er twee krachten
op dit geheel: de kracht van de voet op de
trappers ( Ft ) en de kracht van de ketting op
het voortandwiel ( Fk ).
In figuur 8 zijn deze krachten drie maal
schematisch weergegeven.
Neem aan dat er met constante snelheid
gefietst wordt.
163p
Leg met behulp van de momentenwet uit
welke van de drie figuren (A, B of C) de
situatie dan het beste weergeeft.
figuur 7
figuur bij de opgave
figuur 8
A Ft Fk B Ft Fk C Ft
Bij fietsen gebruikt men het begrip ’verzet’.
Het verzet is de afstand die de fiets aflegt wanneer de trappers één maal rond gaan.
In een fietsboek wordt een formule gegeven waarmee het verzet V (in cm) kan worden
berekend: = n nachtervoor
V · O
Hierin is:
nvoor het aantal tanden van het voorste tandwiel;
nachter het aantal tanden van het achterste tandwiel;
O de omtrek van het achterwiel (in cm).
Het fietsboek geeft ook een tabel van het verzet bij verschillende aantallen tanden van het
voor- en achtertandwiel. Zie tabel 1.
tabel 1 Het verzet (in cm) voor een bepaalde wielmaat bij verschillende aantallen tanden van het
voor- en achtertandwiel
figuur bij de opgave
In tabel 1 is te zien dat een verzet van 431 cm in bijna elke kolom voorkomt.
173p
Leg uit waarom het verzet 431 cm niet in elke kolom van de tabel voorkomt.
Tabel 1 geldt voor een achterwiel met een bepaalde diameter.
184p
Bepaal met behulp van de tabel de grootte van deze diameter.
Een fietser trapt op een bepaald moment de trappers 82 keer per minuut rond en gebruikt
een verzet van 431 cm.
193p
Bereken de snelheid waarmee de fietser dan rijdt.

opgave 5Opgave 5 Duikbril

Mensen kunnen onder water niet scherp zien.
Bij een normaalziend oog dat zich onder water bevindt, ligt in ongeaccommodeerde
toestand het brandpunt niet op het netvlies maar ver daarachter. In figuur 9 is dit
schematisch weergegeven.
figuur 9
LUCHT F LUCHT
WATER F WATER
202p
Leg uit of het oog onder water door te accommoderen scherper zal zien of nog minder
scherp.
Om het hierboven beschreven effect te begrijpen, bekijken we de lenswerking van het oog
meer in detail. Het blijkt dat de lenswerking van het oog voornamelijk wordt veroorzaakt
door het bolle hoornvlies aan de voorkant van het oog; de ooglens draagt maar in beperkte
mate aan de beeldvorming bij.
In figuur 10 is schematisch weergegeven hoe het hoornvlies van een oog dat zich in lucht
bevindt een evenwijdig aan de hoofdas invallende lichtbundel breekt. In deze figuur is de
eigenlijke ooglens weggelaten omdat in deze situatie de breking van lichtstralen door die
ooglens te verwaarlozen is.
figuur 10
LUCHT 34˚ r r 34˚ LUCHT
De brekingsindex bij de overgang van lucht naar hoornvlies is voor geel licht 1,38.
De brekingshoek r is niet op schaal getekend.
213p
Bereken de werkelijke grootte van de brekingshoek.
Voor lichtstralen die van water naar hoornvlies gaan, geldt voor de brekingsindex nwh :
figuur bij de opgave
Hierin is nh de brekingsindex bij de overgang van lucht naar hoornvlies en nw de
brekingsindex bij de overgang van lucht naar water.
223p
Bereken de brekingsindex nwh en leg daarmee uit dat er vrijwel geen lichtbreking zal
plaatsvinden bij de overgang van water naar hoornvlies.
Door een duikbril (zie figuur 11) op te zetten, kan men onder water wel scherp zien.
figuur 11
figuur 11
Het glas van de duikbril is vlak.
Ook onder water bevindt zich lucht
tussen de glasplaat en de ogen .
Figuur 12 geeft schematisch de situatie weer van een oog dat met behulp van een duikbril
onder water kijkt. In deze figuur zijn drie evenwijdige lichtstralen getekend die loodrecht
op het glas van de duikbril vallen. Bij het oog is, om dezelfde reden als hiervoor, de
ooglens weggelaten.
figuur 12
GLAS WATER LUCHT WATER LUCHT GLAS
figuur 12
Figuur 12 is op de bijlage vergroot weergegeven. Ga ervan uit dat het oog in deze situatie
scherp waarneemt.
233p
Teken in de figuur op de bijlage het verdere verloop van de lichtstralen.
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

opgave 6Opgave 6 Radioactief jodium

Lees onderstaand artikel.
artikel Kernproeven in VS besmetten De neerslag van jood-131 was sterker en werd
bevolking met radioactief jodium honderden mijlen verder verbreid dan aan-
vankelijk werd aangenomen. Een aanzienlijk
De kernproeven die van 1951 tot 1958 in de aantal personen heeft daardoor een stralings-
Nevadawoestijn plaatsvonden, hebben de hele dosis opgelopen van meer dan 2 rad.
Amerikaanse bevolking besmet met radioactief Nagenoeg al het jood-131 dat het lichaam
jood. Dit radioactieve jood kan schildklier- binnenkomt wordt door de schildklier
kanker veroorzaken. Een en ander blijkt uit een opgenomen. De opname van een bepaalde
onderzoek van het Amerikaanse Nationale hoeveelheid jood-131 is voor een kleine
Kankerinstituut (NCI). schildklier schadelijker dan voor een grote
schildklier. Het gevaar van kanker geldt dus
Onder andere door het drinken van besmette vooral voor mensen die tijdens de besmettings-
melk kreeg iedereen in de Verenigde Staten in periode nog kind waren.
die periode een kleine of grotere hoeveelheid
jood-131 binnen. naar: de Volkskrant, augustus 1997
In het artikel wordt voor de stralingsdosis de verouderde eenheid rad gebruikt.
242p
Geef de juiste SI-eenheid van stralingsdosis en zoek de omrekeningsfactor van rad naar
deze eenheid op.
In de laatste alinea van het artikel staat dat de opname van een bepaalde hoeveelheid
jood-131 voor een kleine schildklier schadelijker is dan voor een grote schildklier.
253p
Geef de definitie van het begrip stralingsdosis en leg daarmee uit of je het met deze
bewering eens bent. Neem daarbij aan dat de schildklier alle door het jodium uitgezonden
straling absorbeert.
263p
Geef de vervalreactie van jood-131.
Van de met jood-131 besmette melk werd destijds onder andere melkpoeder gemaakt. Om
veiligheidsredenen is het beter een tijd te wachten met het consumeren van dit melkpoeder.
274p
Bereken met welk percentage de activiteit van het jood-131 in het melkpoeder in 40 dagen
is afgenomen.
Einde
Lees verder