tjoefie

natuurkunde havo 2002 · tijdvak 2 · natuurkunde 1,2

A4-weergave

opgave 1Opgave 1 Automatisch fietsachterlicht

Lees eerst het artikel.
artikel Zelf de fietsdynamo aanzetten en
achterom kijken of het achterlicht wel
brandt, is er niet meer bij in de 21ste
eeuw. Want de AXA Omega 1 brandt
vanzelf; je hebt er geen omkijken naar.
Hoe dat kan? De Omega 1 heeft een
lichtsensor en een bewegingssensor.
Wordt het donker en beweegt de fiets,
dan gaat het achterlicht vanzelf branden.
Drie LED-lampjes zorgen voor een flinke
lichtopbrengst en ze zijn nog zuinig ook.
De Omega 1 brandt op twee penlight-
figuur bij de opgave
batterijen van elk 1,5 V.
naar: De Kampioen
Navraag bij de fabrikant leverde de volgende gegevens op:
– De twee batterijen leveren samen een spanning van 3,0 V.
– De drie LED-lampjes zijn in serie geschakeld.
– Het vermogen van één LED bedraagt 70 mW.
In de figuur op de bijlage zijn de twee batterijen en de drie LED-lampjes schematisch
weergegeven.
De LEDjes zijn voor het gemak als gewone lampjes voorgesteld.
13p
Teken in de figuur op de bijlage de verbindingsdraden zodat een schakeling ontstaat die
voldoet aan de gegevens van de fabrikant.
23p
Bereken de stroomsterkte door een LED-lampje.
Het achterlicht kan 20 uren branden op de twee batterijen.
33p
Bereken hoeveel energie de batterijen dan hebben geleverd.
43p
In figuur 1 staat de ijkgrafiek van de
lichtsensor die in het achterlicht zit.
Bepaal de gevoeligheid van deze lichtsensor.
Peter wil de automatische fietsverlichting
nabootsen op een systeembord. Hij gebruikt
daarvoor de sensoren die in het achterlicht
zitten.
In de figuur op de bijlage zie je een deel van
zijn ontwerp. De lamp moet alleen branden
als de bewegingssensor beweegt en de
verlichtingssterkte kleiner is dan 75 lux.
figuur 1
5 sensor- spanning (V) 4 3 2 1 0 0 50 100 150 200 250 300 350 verlichtingssterkte (lux)
De bewegingssensor geeft bij beweging een
hoog signaal. Als het signaal bij A hoog is, brandt de lamp.
54p
Teken in de figuur op de bijlage de verwerker(s) en verbindingsdraden die nodig zijn om de
schakeling naar behoren te laten werken en geef aan op welke waarde de referentiespanning
van de comparator moet worden ingesteld.

opgave 2Opgave 2 Stralingsbescherming

Medewerkers op de afdeling radiologie in een figuur 2
ziekenhuis hebben beroepshalve te maken
met straling. Om te controleren of ze niet te
veel straling ontvangen, dragen zij een badge
op hun kleding. Zie figuur 2.
Een badge registreert de hoeveelheid
ontvangen straling. Na een bepaalde periode
wordt daaruit de stralingsdosis bepaald die de
betreffende persoon in die periode heeft
ontvangen.
Er bestaan afzonderlijke badges voor het
detecteren van -straling, -straling en
figuur bij de opgave
röntgenstraling.
62p
Leg uit waarom het niet zinvol is om badges te maken die gevoelig zijn voor -straling.
Om te controleren of badges goed werken, worden ze van tijd tot tijd bestraald met straling
van een bekende stof.
Voor de badges die gevoelig zijn voor -straling wil men een keuze maken uit een van de
volgende stoffen: Cs-137, Sr-90 en Po-209.
73p
Geef de vervalreactie van Cs-137.
82p
Leg uit welke van deze drie stoffen het best gebruikt kan worden om de badges te testen.
Bij het maken van röntgenfoto’s moeten de medewerkers beschermd worden tegen
röntgenstraling. Ter bescherming is een kledingstuk ontwikkeld waarin lood is verwerkt,
het zogenaamde loodschort. In het schort is een hoeveelheid lood verwerkt die overeenkomt
met een dikte van 0,055 cm.
Maak voor het beantwoorden van vraag 9 gebruik van tabel 99 D uit het informatieboek
Binas.
De röntgenstraling waarmee wordt gewerkt, heeft een energie van 0,10 MeV.
94p
Bereken hoeveel procent van de straling door het loodschort wordt tegengehouden.
Een medewerker wordt tijdens zijn werk per ongeluk gedurende 25 seconden blootgesteld
aan deze straling. Het vermogen van de röntgenstraling is 0,15 microwatt. Van deze straling
wordt 73% geabsorbeerd door een spiermassa van 12 kg.
De stralingsdosis is gelijk aan de geabsorbeerde energie per kg.
104p
Bereken de stralingsdosis die de spiermassa ontvangt.

opgave 3Opgave 3 Picknicktafel

Op campings zie je wel eens houten picknicktafels die bestaan uit een tafel met twee
banken eraan vast. In figuur 3 is een zijaanzicht van zo’n picknicktafel op schaal getekend.
figuur 3
Z P F
Als twee zware personen aan dezelfde kant gaan zitten, kan de picknicktafel gaan kantelen.
Stel dat deze situatie zich voordoet. In figuur 3 is het aangrijpingspunt P en de richting van
de kracht F die deze personen samen op de bank uitoefenen, aangegeven. In de tekening is
ook de plaats van het zwaartepunt Z van de picknicktafel aangegeven.
De massa van de picknicktafel is 60 kg.
114p
Bereken hoe groot de kracht F minstens moet zijn om de picknicktafel te laten kantelen.
Om het kantelen tegen te gaan, kunnen een paar personen op de andere bank gaan zitten.
Romke en Frank discussiëren over deze situatie.
Romke zegt: ”Als op de linkerbank vier personen gaan zitten (de kracht op de linkerbank is
dan gelijk aan 2 F ), kantelt de picknicktafel naar links.”
Frank zegt: ”Nee, om de picknicktafel naar links te laten kantelen, moeten links veel méér
personen gaan zitten.”
123p
Leg uit wie gelijk heeft.
Romke en Frank willen een picknicktafel ontwerpen van hetzelfde type als die in figuur 3.
Hun picknicktafel zou, zonder hem vast te zetten in de grond, stabieler moeten zijn.
132p
Noem twee veranderingen die ze kunnen aanbrengen waardoor de picknicktafel stabieler
wordt.

opgave 4Opgave 4 Thermofort

Veel huishoudens gebruiken in de keuken
heet water uit een combiketel die op zolder
staat. Zie figuur 4. Voordat het hete water uit
de combiketel de keukenkraan bereikt, moet
eerst het koude water wegstromen dat zich
nog in de leiding bevindt.
Gegevens van een bepaald huis:
• de binnendiameter van de heetwaterleiding
is 12,0 mm;
• de lengte van de leiding tussen de combiketel
en de keukenkraan is 11 m;
• per dag laat men gemiddeld twintig keer het
koude water uit de leiding wegstromen in
afwachting van warm water.
figuur 4
combiketel heetwaterleiding keukenkraan
143p
Bereken het volume van het water dat in dit
huis per jaar wegstroomt doordat men op heet water wacht.
Om iets aan deze verspilling van water te doen, is de zogenoemde thermofort bedacht.
Zie onderstaand artikel.
artikel De thermofort is een soort thermosfles
die onder het aanrecht op de heetwater-
leiding is aangesloten. In de thermofort
wordt heet water opgevangen. Als de
bewoner opnieuw de heetwaterkraan
opent, stroomt de thermofort leeg. Daarbij
mengt het hete water (79 °C) uit de
thermofort zich met het eerst nog koude
water (17 °C) uit de leiding, zodat er
direct handwarm water beschikbaar is.
heetwater- leiding kraan aanrecht thermo- fort
naar: Intermediair, februari 2000
Ondanks de goede isolatie koelt het water in de thermofort toch langzaam af.
Om het warmteverlies tegen te gaan, is in de thermofort een verwarmingselement met een
vermogen van 2,0 watt gemonteerd. Het verwarmingselement is dag en nacht ingeschakeld.
Zonder verwarmingselement zou de temperatuur ongeveer 1 graad Celsius per uur dalen.
Neem aan dat zich steeds 1,5 liter water in de thermofort bevindt.
154p
Toon aan dat het vermogen van het verwarmingselement voldoende is om het warmteverlies
door afkoeling te compenseren.
Het elektrische verwarmingselement werkt op een spanning van 6,0 V. Deze spanning
wordt geleverd door een transformator die is aangesloten op de netspanning (230 V).
De transformator heeft 150 windingen aan de secundaire kant.
162p
Bereken het aantal windingen aan de primaire kant.
173p
Bereken de weerstand van het verwarmingselement.

opgave 5Opgave 5 Kerkorgel

In figuur 5 is een kerkorgel afgebeeld.
Nynke en Tessa maken een werkstuk over de
natuurkundige aspecten van het orgel.
De organist is bereid hen te helpen.
Hij zegt:
Als ik op een toets druk, wordt lucht in
een bepaalde pijp geblazen. De toon die
jullie horen, ontstaat omdat de lucht in die
pijp in resonantie komt. De lengte van de
pijp is daarbij belangrijk. Een lange pijp
geeft een lagere toon dan een korte pijp.
Voor de toonhoogte is ook van belang of
de bovenkant van de orgelpijp open of
gesloten is.
Voor de tonen van een orgelpijp die aan
de bovenkant gesloten is, geldt:
2n1 ¼
figuur 5
figuur bij de opgave
Voor de tonen van een orgelpijp die aan
de bovenkant open is, geldt:
n ½
Nynke vraagt de organist om een willekeurige toon te laten horen. Ze registreert het geluid
met een geluidssensor die op de computer is aangesloten. Zie figuur 6.
figuur 6
4 3 2 1 0 10 20 30 40 50 -1 t (ms) -2 -3 -4
184p
Bepaal de frequentie van deze toon.
Het valt hen op dat het beeld niet sinusvormig is.
Nynke zegt: ”Volgens mij komt dat door de boventonen.”
Tessa zegt: ”Ik denk dat het orgel niet goed gestemd is.”
192p
Wie van hen heeft gelijk? Licht je mening toe.
De organist speelt een lage a; dat is een toon met een frequentie van 220 Hz.
Tessa meet dat de orgelpijp die deze toon als grondtoon produceert 38,7 cm lang is.
Ze constateert dat de orgelpijp aan de bovenkant gesloten is.
204p
Bereken met deze gegevens de geluidssnelheid in lucht.
In figuur 7 is een gesloten orgelpijp getekend. Daarnaast zijn op dezelfde schaal drie open
pijpen A, B en C getekend.
figuur 7
figuur 7
A
B
C
213p
Leg uit welke van de drie open pijpen A, B of C dezelfde grondtoon heeft als de gesloten
pijp.
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

opgave 6Opgave 6 Fietsen

Jeanette heeft een versnellingsmeter op de bagagedrager van haar fiets gemonteerd.
Zij trekt op vanuit stilstand, rijdt even met constante snelheid en laat zich vervolgens
uitrijden zonder te trappen of te remmen.
In figuur 8 is het (snelheid, tijd)-diagram te zien dat ze met behulp van een computer van
haar metingen heeft gemaakt.
figuur 8
9 snelheid (m/s) 8 CC 7 BB 6 5 4 3 DD 2 AA 1 0 0 20 40 60 80 100 120 140 160 170 tijd (s)
Het diagram bevat vier karakteristieke delen:
A: van t = 0 tot t =10 s
B: van t = 10 tot t = 50 s
C: van t = 50 tot t = 70 s
D: van t = 70 tot t = 160 s
Op de bijlage staat een tabel. De beweging van de fiets in de delen A, B, C en D is te
karakteriseren door in de tabel een kruisje op de juiste plaats te zetten. Voor de delen A en
C is dat al gebeurd.
222p
Karakteriseer de beweging van de fiets in de delen B en D. Gebruik daarvoor de tabel op de
bijlage.
De massa van de fiets en Jeanette samen is 72 kg.
234p
Bepaal de resulterende kracht die op de fiets werkt in deel A.
In deel C is het vermogen waarmee Jeanette fietst 1,5·102 watt.
244p
Bepaal de grootte van de wrijvingskracht die ze dan ondervindt.
In deel D laat Jeanette zich uitrijden.
254p
Bepaal de afstand die ze aflegt tijdens het uitrijden.
In deel D zijn twee wrijvingskrachten van belang: de luchtweerstand en de rolweerstand.
De rolweerstand is onafhankelijk van de snelheid.
264p
Beredeneer uit de vorm van deel D van de grafiek dat de luchtweerstand kleiner wordt als
de snelheid afneemt.
Einde
Lees verder