opgave 1Opgave 1 Bedleesbril
Voor mensen die lang plat in bed moeten liggen, is de bedleesbril een mooie uitvinding.
Zie figuur 1 en 2. Met deze bril op kan de patiënt lezen terwijl het boek op zijn buik rust.
14puitwerkbijlageDe bril bevat twee speciale prisma’s. Eén
zo’n prisma is schematisch weergegeven in
figuur 3. In deze figuur is te zien hoe een
lichtstraal in het prisma gebroken en
gespiegeld wordt.
Figuur 3 is vergroot weergegeven op de
uitwerkbijlage.
Bepaal met behulp van de figuur op de
uitwerkbijlage de brekingsindex van het glas
waar het prisma van gemaakt is.
Op het rechtervlak van het prisma is een
spiegelende laag aangebracht. Ook bij het
linkervlak spiegelt de lichtstraal, hoewel dat
vlak géén spiegelende laag heeft.
23pLeg uit waarom het rechtervlak wel een spiegelende laag nodig heeft en het linkervlak niet.
Gebruik in het antwoord het begrip grenshoek.
De lichtstraal die in figuur 3 is getekend, komt uiteindelijk op het netvlies van het oog van
de patiënt terecht. In de figuur op de uitwerkbijlage zijn vier mogelijke plaatsen A, B, C en
D getekend waar het midden van de ooglens zich moet bevinden om de lichtstraal op te
kunnen vangen.
32pLeg (zonder berekening) uit waar het midden van de ooglens zich moet bevinden: op plaats
A, B, C of D.
In een andere figuur op de uitwerkbijlage is een deel van een tweede lichtstraal getekend,
evenwijdig aan de eerste.
43puitwerkbijlageTeken in de figuur op de uitwerkbijlage het verdere verloop van beide lichtstralen en leg
met behulp daarvan uit dat de patiënt de letters van het boek rechtop ziet en niet
ondersteboven.
opgave 2Opgave 2 Nieuwe bestralingsmethode
Lees onderstaand artikel.
artikel Sinds kort experimenteert men met een nieuwe
methode om tumoren te behandelen. Aan een
patiënt wordt borium-10 toegediend. Deze stof
wordt door tumorcellen veel beter opgenomen
dan door gezonde cellen.
Na toediening van het borium bestraalt men het
gebied waar zich de tumor bevindt met
langzame neutronen. Omdat deze neutronen
energiearm zijn, richten ze vrijwel geen schade
naar: Technisch Weekblad, 1998
In het artikel wordt een kernreactie beschreven.
53pGeef de reactievergelijking van deze kernreactie.
Stel dat in een tumor met een massa van 1,2 g op deze manier 7,2·1012 boriumkernen
reageren. Het lithiumdeeltje en α -deeltje die bij de reactie vrijkomen, hebben samen een
energie van 2,35 MeV. Deze energie wordt geabsorbeerd binnen de tumor.
De stralingsdosis is de geabsorbeerde hoeveelheid energie per kilogram bestraald weefsel.
64pBereken de stralingsdosis die deze tumor ontvangt.
73pLeg met behulp van de informatie in het artikel uit waarom bij neutronenbestraling vooral
de tumorcellen worden vernietigd.
Bij een andere methode die tot nu toe veel wordt toegepast, bestraalt men de patiënt van
buitenaf met γ -straling.
Veronderstel dat men met beide methodes een even grote stralingsdosis kan toedienen aan
een bepaalde tumor.
82pLeg uit of bij de methode die in het artikel beschreven wordt het dosisequivalent voor de
tumor groter is dan, kleiner is dan of gelijk is aan het dosisequivalent bij γ -bestraling.
opgave 3Opgave 3 Magneettrein
In Lathen in Duitsland bevindt zich de testbaan van de zo genoemde Transrapid. Dat is een
magneettrein die zich over een speciale baan voortbeweegt. Zie figuur 4.
93pOnder tegen de baan bevinden zich stukken
weekijzer. In het deel van de trein dat zich
onder de baan bevindt, zorgen
elektromagneten ervoor dat de trein gaat
zweven. Zie figuur 5.
De Transrapid heeft inclusief passagiers een
massa van 1,8·105 kg. In het onderstel van de
trein bevinden zich 46 elektromagneten.
Bereken de grootte van de kracht van één
elektromagneet op het weekijzer, als de trein
zweeft.
Het magnetisch veld van de elektromagneten zorgt tevens voor de voortstuwing van de
trein. Daarvoor is onder tegen de baan een kabel aangebracht die zich tussen de stukken
weekijzer door slingert. Zie de foto van figuur 6.
In figuur 7 is zo’n stuk kabel en een aantal elektromagneten schematisch weergegeven.
In deze figuur zijn de stukken weekijzer weggelaten.
In de situatie die door figuur 7 wordt weergegeven, bevindt elektromagneet 1 zich recht
onder het stuk kabel tussen de punten P en Q. Het stuk PQ heeft een lengte van 0,26 m en
bevindt zich geheel in het magnetische veld van de elektromagneet eronder.
De magnetische inductie B ter hoogte van PQ bedraagt gemiddeld 7,3 T.
Door de kabel loopt een stroom van 1,2·103 A.
102pBereken de grootte van de lorentzkracht op dit stuk kabel.
In figuur 7 is ook te zien dat elektromagneet 2 zich recht onder het stuk kabel tussen de
punten R en S bevindt. Zoals is aangegeven, heeft de lorentzkracht op stuk RS dezelfde
richting als de lorentzkracht op stuk PQ.
In figuur 7 is de richting van de stroom in elektromagneet 1 aangegeven.
113pLeg uit of de stroom in elektromagneet 2 in dezelfde richting loopt als in
elektromagneet 1 of in tegengestelde richting.
De elektromagneten in de trein veroorzaken een lorentzkracht op de kabel in de baan.
In figuur 7 is met FL de richting van de lorentzkracht aangegeven.
122pLeg uit waarom de trein naar rechts beweegt. Gebruik bij je uitleg een natuurkundige wet.
Als de trein beweegt, moet de stroom door de kabel in de baan steeds op het goede moment
van richting worden veranderd. Vergelijk de figuren 7 en 8. De stroom in de kabel
verandert van richting als een elektromagneet een afstand gelijk aan QR heeft afgelegd.
De afstand QR is 0,26 m.
Op een bepaald moment heeft de trein een snelheid van 400 km/h.
134pBereken de frequentie van de wisselstroom in de kabel in deze situatie.
opgave 4Opgave 4 Oude 78-toerenplaat
Timo vindt op zolder een stapel oude 78-toerenplaten. Dat zijn grammofoonplaten die
afgespeeld moeten worden op een draaitafel die 78 rondjes per minuut maakt.
Er staat op zolder ook een platenspeler. Die is echter alleen geschikt voor 33-toerenplaten.
Timo besluit de platenspeler om te bouwen
Aan de onderkant van de platenspeler is te
zien hoe een elektromotor een wieltje laat
draaien. Zie figuur 9. Via een snaar wordt de
draaibeweging van het wieltje overgebracht
op een groter wiel dat onder de draaitafel zit.
141pHet wiel onder de draaitafel is vrij eenvoudig
te vervangen.
Om de platenspeler geschikt te maken voor
78-toerenplaten brengt Timo een ander wiel
onder de draaitafel aan.
Moet hij in dit geval een groter of een kleiner
wiel aanbrengen?
Timo heeft de platenspeler omgebouwd. Hij
wil nu controleren of de draaitafel 78 toeren
per minuut maakt.
Hij zet een blokje op de draaitafel. Eén maal
per omloop onderbreekt het blokje eventjes
een lichtstraal die op een lichtsensor gericht
is. Met behulp van een computer meet hij de
spanning van de lichtsensor als functie van
de tijd. Zie figuur 10.
153pControleer met behulp van deze metingen of de platenspeler inderdaad 78 toeren per minuut
maakt.
Om een grammofoonplaat af te spelen, moet een arm met een naald op de draaiende plaat
worden gezet. Tijdens het afspelen verplaatst de naald zich langzaam naar het midden van
de plaat. Het toerental van de platenspeler is steeds constant.
163pBeredeneer of de snelheid van de naald ten opzichte van de plaat kleiner of groter wordt
tijdens het afspelen of gelijk blijft.
Op een grammofoonplaat is het geluid vastgelegd door kleine oneffenheden in de groeven.
Die oneffenheden worden door de naald van de platenspeler afgetast en omgezet in een
analoog elektrisch signaal (dat door een luidspreker wordt omgezet in geluid).
Bij een compactdisc (cd) is het geluid op een heel andere manier vastgelegd.
Ook de werking van een cd-speler wijkt flink af van die van de platenspeler.
174pBeschrijf kort, zoals hierboven voor de grammofoonplaat en platenspeler is gedaan, hoe op
een cd geluid is vastgelegd en hoe de cd-speler dat overbrengt naar een luidspreker.
opgave 5Opgave 5 Elektrische waterkoker
Een elektrische waterkoker kan in korte tijd water aan de kook brengen. Hij heeft dan ook
een flink vermogen. Op het typeplaatje van een bepaalde waterkoker staat:
1850 - 2200 W
Huishoudelijke apparaten zijn ontworpen voor een spanning van 230 volt. Er mag echter,
zoals het typeplaatje van de waterkoker laat zien, een afwijking naar boven of naar beneden
zijn van 10 volt.
Als de netspanning lager is, is ook het vermogen van een apparaat lager.
183pBereken de weerstand van de waterkoker bij een spanning van 220 V.
Joop zegt dat het elektrisch vermogen van de waterkoker recht evenredig is met het
kwadraat van de spanning.
193pLaat met een berekening zien dat de gegevens van het typeplaatje daarmee in
overeenstemming zijn.
Joop doet 1,4 kg water van 16 ºC in de waterkoker.
203pBereken de hoeveelheid warmte die dit water opneemt als het wordt verwarmd tot 100 ºC.
Ook Joop heeft berekend hoeveel warmte het water opneemt als het aan de kook wordt
gebracht. Hij wil nu het rendement van de waterkoker bepalen. Daarvoor moet hij nog een
meting doen.
214pBeantwoord de volgende vragen:
• Geef de formule waarmee Joop het rendement van de waterkoker kan berekenen.
• Leg uit welke grootheid hij daartoe nog moet meten.
• Geef aan welk meetinstrument hij daarvoor moet gebruiken.
De waterkoker slaat automatisch af als het water een temperatuur bereikt van 100 ºC.
Joop wil het automatisch afslaan van de waterkoker nabootsen op een systeembord.
De schakeling die hij bouwt, moet voldoen aan de volgende twee eisen:
- De ‘waterkoker’ wordt aangezet door een drukschakelaar even in te drukken. Daardoor
wordt het signaal bij A eventjes hoog.
- De ‘waterkoker’ slaat af als de temperatuursensor een temperatuur van 100 ºC voelt.
In figuur 11 zijn de drukschakelaar en temperatuursensor al getekend. Als de temperatuur
stijgt, neemt de uitgangsspanning van de temperatuursensor toe. De ‘waterkoker’ is aan als
het signaal bij punt W hoog is. De ‘waterkoker’ is uit als het signaal bij W laag is.
Figuur 11 staat ook op de uitwerkbijlage.
224puitwerkbijlageTeken in de rechthoek in de figuur op de uitwerkbijlage de ontbrekende componenten en
verbindingsdraden.
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina!
opgave 6Opgave 6 Schaatsen
Lees onderstaand artikel.
artikel De hele schaatswereld belt naar TU Delft
Competitievervalsing vinden de mensen met strips. Ze hadden bovendien allemaal
van de TU Delft een zwaar woord maar ze hun persoonlijke record minimaal met de
kunnen zich de verontwaardiging van de voorspelde zes seconden verbeterd.
concurrentie wel voorstellen. Deze voorspellingen waren gebaseerd op
Hun vinding, plastic strips van anderhalve experimenten die in de windtunnel waren
millimeter dik op de schaatspakken, zette gedaan. Daarbij bleek dat de strips de
het klassement danig op zijn kop. luchtweerstand met 5 procent vermin-
Afgelopen weekend werd bij de 5 km het derden. Dit komt overeen met een halve
erepodium volledig bezet door schaatsers seconde tijdwinst per rondje van 400 meter.
naar: Trouw, 10 februari 1998
Eric heeft bovenstaand artikel gelezen en wil narekenen of de getallen in het artikel
kloppen.
Voor de luchtwrijving of luchtweerstand Flucht geldt:
Flucht = kv2 (1)
Hierin is:
• Flucht de luchtweerstand (in N);
• k de luchtwrijvingsconstante;
• v de snelheid (in m/s).
234pLeid uit formule (1) af wat de eenheid van de luchtwrijvingsconstante is in grondeenheden
van het SI-stelsel. Gebruik daarbij de eenhedentabellen in Binas.
Voor een gemiddelde schaatser zonder strips heeft k de waarde 0,15.
Bij hoge snelheden is de glijweerstand veel kleiner dan de luchtweerstand.
Daarom verwaarloost Eric de glijweerstand.
Voor het vermogen P dat een schaatser moet leveren bij een snelheid v leidt Eric dan af:
P = 0,15 v3 (2)
243pLaat zien hoe Eric formule (2) uit formule (1) kan afleiden.
Eric gaat uit van een schaatser die zonder strips een rondje van 400 m aflegt in 32 s.
Hij neemt aan dat deze schaatser mét strips hetzelfde vermogen levert en dat de waarde van
k door de strips met 5% daalt.
255pToon aan dat deze schaatser met strips een tijdwinst heeft van 0,5 s per rondje.
Einde