opgave 1Opgave 1 Optische muis
Lees eerst onderstaande tekst.
Bij veel computers wordt een optische muis gebruikt. Onderin zo’n muis zit een
LED die een stukje van het tafeloppervlak belicht. Door een lens wordt dit scherp
afgebeeld op een chip met lichtgevoelige sensoren. Zie de figuur hieronder.
Als de muis beweegt, verandert het beeld van het tafeloppervlak op de chip.
De signalen van de sensoren worden een paar duizend keer per seconde
doorgegeven aan een microprocessor in de muis. Deze berekent vervolgens de
grootte en de richting van de snelheid van de muis. Die informatie gebruikt de
computer om de cursor over het beeldscherm te laten bewegen.
In figuur 1 is de lichtbundel getekend waarmee
13puitwerkbijlagede lens een punt P van het tafeloppervlak afbeeldt
in het punt Q van het sensorvlak van de chip.
In punt A wordt een ander punt van het
tafeloppervlak afgebeeld.
Figuur 1 staat vergroot op de uitwerkbijlage.
Bepaal in de figuur op de uitwerkbijlage welk punt
van de tafel in A wordt afgebeeld. Noem dat punt B
en teken de lichtbundel waarmee dat punt B in A
wordt afgebeeld.
In figuur 1 en in de figuur op de uitwerkbijlage zijn de verticale afstanden op
schaal getekend. De verticale afstand tussen de lens en de sensoren in de muis
is in werkelijkheid 4,8 mm .
25puitwerkbijlageBepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de sterkte van de lens.
De details van het tafeloppervlak worden 1,3 maal zo klein op de chip
afgebeeld.
32pToon dat aan.
Het lichtgevoelige deel van de chip bestaat uit 30 bij 30
43pvierkante lichtsensoren en heeft een lengte l . Zie figuur 2.
De resolutie van de muis is 400 cpi , dat wil zeggen dat de
minimale verplaatsing die geregistreerd kan worden één
vierhonderdste inch is. Als de muis zich over deze afstand
verplaatst, verschuift het beeld op de chip over een
afstand die gelijk is aan de lengte van één sensor.
Eén inch is gelijk aan 2,54·10–2 m .
Bereken de lengte l van het lichtgevoelige deel van de
chip.
opgave 2Opgave 2 Signaallamp
In een zogeheten signaallamp (zie
figuur 1) zitten drie gekleurde LED’s,
een rode, een groene en een blauwe.
De drie LED’s kunnen tegelijk
ingeschakeld worden; elke LED brandt
dan op een spanning van 3,0 V .
De spanning wordt geleverd door twee
batterijen van elk 1,5 V .
In de figuur op de uitwerkbijlage zijn de
drie LED’s en de twee batterijen
schematisch weergegeven.
54puitwerkbijlageTeken in de figuur op de uitwerkbijlage alle noodzakelijke verbindingsdraden. Er
hoeft geen schakelaar in de schakeling te worden opgenomen.
De elektrische energie van een batterij wordt vaak met de eenheid Wh (wattuur)
aangegeven. In één volle batterij van de signaallamp is 4,8 Wh elektrische
energie opgeslagen.
62pToon aan dat 1,0 Wh gelijk is aan 3,6 kJ .
Het elektrisch vermogen van één LED in de signaallamp is 60 mW .
De twee batterijen zijn vol.
74pBereken hoe lang de drie LED’s tegelijkertijd kunnen branden.
De signaallamp bevat ook een schakeling die de LED’s om beurten even laat
branden. In figuur 2 is deze schakeling getekend.
figuur 2
Bij tellerstand 1 brandt een van de LED’s, bij tellerstand 2 brandt een van de
andere LED’s en bij tellerstand 3 brandt de derde LED.
Op de uitwerkbijlage staat een tabel.
83pKruis in de tabel aan welke LED bij welke tellerstand brandt.
De pulsgenerator staat ingesteld op 1,0 Hz .
Uitgang 4 van de teller is verbonden met de reset. Daardoor herhaalt de cyclus
van het om beurten aangaan van de LED’s zich steeds.
De lamp staat 60 s te knipperen.
93pLeg uit hoe vaak de rode LED in deze periode aan is geweest.
opgave 3Opgave 3 Buis van Rubens
Marc wil staande geluidsgolven zichtbaar maken met behulp van een buis van
Rubens. Dit is een metalen buis waarin aan de bovenkant gaatjes zijn geboord.
Het ene uiteinde van de buis is afgesloten met een luidspreker en het andere
uiteinde van de buis is op de aardgasleiding aangesloten. De luidspreker is
verbonden met een toongenerator.
Nadat de buis geheel gevuld is met aardgas steekt hij het gas dat uit de gaatjes
stroomt met een aansteker aan1) . Alle vlammetjes zijn dan even hoog.
Marc zet de toongenerator aan en draait aan de frequentieknop.
Bij bepaalde frequenties ontstaat in de buis een staande geluidsgolf waardoor
de vlammen niet meer allemaal even hoog staan. Zie de foto van figuur 1.
figuur 1
Op de plaatsen waar de vlammen een
101pmaximale lengte hebben, bevindt zich
in de buis een buik ( B ). Op de plaatsen
waar de vlammen een minimale lengte
hebben, bevindt zich in de buis een
knoop ( K ).
Zie figuur 2. Hierin zijn de afstanden x
en y aangegeven.
Welke van de afstanden, x of y , is gelijk
aan één hele golflengte?
Op het moment dat de foto genomen is, produceerde de luidspreker een toon
van 890 Hz . De hele buis, zoals afgebeeld in figuur 1, is 2,02 m lang.
114pBepaal de voortplantingssnelheid van het geluid in aardgas.
noot 1 Om te voorkomen dat er in de buis een explosief mengsel van aardgas en zuurstof ontstaat,
moet het gas pas worden aangestoken wanneer de hele buis gevuld is met aardgas.
Wanneer het gas een tijd gebrand heeft, verdwijnt het golfpatroon van de
vlammetjes. Kennelijk treedt er dan geen resonantie meer op.
Door de frequentie van de toongenerator iets te veranderen, kan Marc weer
hetzelfde golfpatroon als in figuur 1 terugkrijgen.
De voortplantingssnelheid van geluid neemt toe als de temperatuur stijgt.
124pBeantwoord de volgende vragen:
- Geef een verklaring voor het verdwijnen van de resonantie.
- Moet Marc een grotere of juist een kleinere frequentie instellen om hetzelfde
golfpatroon weer terug te krijgen? Licht je antwoord toe.
opgave 4Opgave 4 Superbus
Op de TU Delft wordt onder leiding van professor Wubbo Ockels de Superbus
ontwikkeld. Zie figuur 1.
figuur 1
De bus wordt elektrisch aangedreven, biedt plaats aan ongeveer 20 personen
en heeft een kruissnelheid van 250 km/h . De massa van de bus inclusief
passagiers is 8,1·103 kg .
134puitwerkbijlage( v , t )-diagram van het
optrekken van de Superbus
weergegeven. We definiëren
de optrekafstand als de
afstand die de bus moet
afleggen om van 0 tot
250 km/h te versnellen.
Figuur 2 staat ook op de
uitwerkbijlage.
Bepaal met behulp van de
figuur op de uitwerkbijlage
de optrekafstand van de
Superbus.

bus is ook een (F,t)-diagram 10 F gemaakt. Zie figuur 3. 9 (kN) Fmotor Hierin is F de kracht 8 motor waarmee de motor de bus 7 aandrijft en F de 6 res Fres 5 resulterende kracht op de 4 bus. Tussen t = 0 en t = 10 s is F constant. 3 res 2 De waarde van F is af te res 1 lezen in het (F,t)-diagram. 0 Die waarde is ook te bepalen 0 20 40 60 80 100 120 140 160 t (s)
( v , t )-diagram.
Figuur 2 is nogmaals op de uitwerkbijlage afgedrukt.
144puitwerkbijlageLaat met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage zien dat beide waarden van
Fres met elkaar overeenstemmen.
De wrijvingskracht op de bus bestaat uit de constante rolwrijvingskracht Fw,rol en
de luchtwrijvingskracht F w,lucht waarvan de grootte afhangt van de snelheid.
Voor de Superbus geldt: Fw,rol = 1,3·103 N.
153pLeg uit hoe uit figuur 3 blijkt dat Fw,rol = 1,3·103 N .
Na t = 105 s is de motorkracht constant.
163pBepaal het vermogen dat de motor dan levert.
De Superbus is zo ontworpen dat hij zo weinig mogelijk luchtweerstand
ondervindt.
Voor de luchtwrijvingskracht F w,lucht geldt de volgende formule:
Hierin is:
− cw de luchtwrijvingscoëfficiënt;
− ρ de dichtheid van de lucht (in kg/m3 );
− A de frontale oppervlakte van de bus (in m2 );
− v de snelheid van de superbus (in m/s ).
De Superbus is 2,50 m breed en 1,70 m hoog.
De dichtheid van de lucht is 1,2 kg/m3 .
174pBepaal de luchtwrijvingscoëfficiënt van de Superbus.
De actieradius van de Superbus is de afstand die hij bij gemiddeld
energieverbruik kan afleggen als zijn accu’s helemaal gevuld zijn.
De Superbus heeft 324 accu’s; in elke accu kan 0,74 kWh energie worden
opgeslagen. De bus verbruikt gemiddeld 0,83 kWh per kilometer.
183pBereken de actieradius van de Superbus. Neem daarbij aan dat alle opgeslagen
energie wordt verbruikt.
Als de accu’s leeg zijn, worden ze tegelijk opgeladen.
De spanning over elke accu is 4,2 V. De laadstroom door één accu is 200 A .
193pBereken de tijd die nodig is om een accu helemaal op te laden. Neem daarbij
aan dat er geen energieverliezen optreden tijdens het opladen.
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.
opgave 5Opgave 5 Hassium-270
Jan Dvorak van de Technische Universiteit München en zijn medewerkers
zeggen er in geslaagd te zijn de isotoop hassium- 270 te hebben gemaakt.
Daarvoor beschoten zij een trefplaatje van curium- 248 met magnesium- 26 -
kernen. Bij de kernreactie die daarbij plaatsvond, ontstond hassium -270 en
kwamen enkele neutronen vrij.
203pToon met behulp van de reactievergelijking aan dat er bij deze kernreactie vier
neutronen vrijkwamen. Gebruik tabel 25 en 40A van Binas.
Om de reactie te laten plaatsvinden, moeten de magnesiumkernen een zeer
hoge energie hebben. Dvorak gebruikte magnesiumkernen met een kinetische
energie van 136 MeV .
Neem aan dat de massa van een magnesiumkern 26 u is.
214pBereken de snelheid van deze magnesiumkernen.
223pDe totale massa van de hassiumkern en de vier
neutronen die gevormd worden, is groter dan de
massa van de curiumkern en magnesiumkern
samen. Deze extra massa wordt gecreëerd uit de
bewegingsenergie van de magnesiumkern.
In de tabel hiernaast staan alle relevante
massa’s.
Toon aan dat de kinetische energie van de
magnesiumkernen voldoende groot was om de kernreactie te laten plaatsvinden.
Dvorak heeft het hassium niet rechtstreeks kunnen waarnemen. Hij kon wel
aantonen dat er na de reactie een α -deeltje vrijkwam en dat de isotoop
seaborgium- 266 gevormd was. Hieruit trok hij de conclusie dat hij hassium- 270
had gemaakt.
232pLeg uit dat deze conclusie aannemelijk is.
Dvorak bepaalde ook de halveringstijd van hassium- 270 en vond hiervoor 22
seconden. Vergeleken met andere isotopen met ongeveer evenveel protonen en
neutronen is dat een grote halveringstijd.
Dit gegeven heeft veel belangstelling gewekt. Theoretisch is al dertig jaar
geleden het bestaan van een “eiland van stabiliteit” voorspeld. Zie de figuur op
de uitwerkbijlage.
242puitwerkbijlageHebben Dvorak en zijn medewerkers het voorspelde “eiland van stabiliteit”
bereikt? Licht je antwoord toe met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage.