tjoefie

natuurkunde havo 2014 · tijdvak 2

A4-weergave

opgave 1Opgave 1 Koolstof-14-methode

Om de ouderdom van organisch materiaal te bepalen, kan men
gebruikmaken van de koolstof- 14 -methode. Koolstof- 14 is een
radioactieve isotoop die in de atmosfeer van de aarde voorkomt.
De koolstof- 14 -methode is in 1949 ontdekt door Willard Frank Libby, die
er in 1960 de Nobelprijs voor scheikunde voor ontving.
In deze opgave gaan we stapsgewijs in op deze methode.
In de natuur vinden we drie isotopen van koolstof: 12 C, 13 C, 14 C .
In de tabel op de uitwerkbijlage staan enkele eigenschappen van deze
isotopen.
13puitwerkbijlage
Omcirkel in de tabel op de uitwerkbijlage het juiste alternatief.
Het aantal C-14 kernen neemt in de loop van de tijd af want C-14 is
radioactief via β -verval.
23p
Geef de vervalvergelijking van het radioactieve verval van C-14 .
Tegelijkertijd wordt het aantal C-14 kernen in de bovenste lagen van de
atmosfeer aangevuld. Neutronen worden ingevangen door stikstof- 14
kernen, waarna koolstof- 14 ontstaat. Bij dit proces komt nog een ander
deeltje vrij.
Het invangen van een neutron door een stikstof-14 kern kan als volgt
worden weergegeven: 14/7 N + 1/0 n → 14/6 C + ....
32p
Welk deeltje komt er bij dit proces vrij? Licht je antwoord toe door de
reactievergelijking compleet te maken.
In alle levende planten en dieren
figuur bij de opgave
vindt men dezelfde constante
Als een plant of dier sterft,
verandert R , want het koolstof-14
vervalt en wordt niet meer
aangevuld.
figuur 1
R R levend R dood t = 0 t
De afname van R is schematisch weergegeven in figuur 1.
Een archeologe heeft een schedel van een sabeltandtijger gevonden
waarvan zij de ouderdom wil weten. In het laboratorium meet ze dat R
precies een kwart is van die van levende dieren.
42p
Hoe oud is de schedel? Licht je antwoord toe.
De C-14- methode is bruikbaar voor materialen tot 10 halveringstijden oud.
52p
Hoeveel procent van de oorspronkelijke hoeveelheid koolstof -14 is er dan
nog over? Geef je antwoord in twee significante cijfers.

opgave 2Opgave 2 Slinger van Wilberforce

De slinger van Wilberforce bestaat uit een veer
figuur 1
figuur bij de opgave
waar een blok aan hangt. Zie figuur 1.
Als het blok verticaal omlaag getrokken wordt en
dan wordt losgelaten, ontstaat er een bijzondere
beweging. Eerst beweegt het blok op en neer en
draait nauwelijks heen en weer. Het draaien
neemt toe en het op en neer bewegen neemt af.
Na een tijdje draait het blok alleen nog maar
heen en weer en is de verticale trilling
verdwenen.
Vervolgens komt de verticale beweging weer
langzaam op gang en neemt het draaien af totdat
het blok alleen nog maar op en neer beweegt en
niet meer heen en weer draait.
Dit herhaalt zich net zo lang totdat het blok door demping tot stilstand
komt.
In de opstelling van figuur 1 heeft het blok een massa van 2,8 kg .
De veerconstante van de veer is gelijk aan 49 N m1 .
Om de beweging te demonstreren, wordt het blok aan de veer voorzichtig
9,0 cm omlaag getrokken, maar nog niet losgelaten.
63p
Bereken de kracht van de veer die dan op het blok werkt.
Als het blok wordt losgelaten, gaat de veer trillen met een frequentie van
0,67 Hz .
73p
Toon dit aan met behulp van een berekening.
Onder de slinger wordt
figuur 2
een afstandssensor
gelegd, zodat de
afstand van de
onderkant van het blok
tot de sensor als
functie van de tijd
gemeten kan worden.
Zie figuur 2.
Het resultaat van zo’n
meting is op de
uitwerkbijlage in een
figuur bij de opgave
( x,t )-diagram weergegeven.
81puitwerkbijlage
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de afstand van de
onderkant van het blok tot de sensor, als het blok tot stilstand is gekomen.
92puitwerkbijlage
Geef in de figuur op de uitwerkbijlage met de letter V alle tijdstippen aan
waarop het blok alléén verticaal op en neer beweegt en niet draait.
Met een draaihoeksensor wordt vervolgens de hoek waarover het blok
draait als functie van de tijd gemeten. Het resultaat van deze meting is in
figuur 3 weergegeven.
Figuur 3 staat ook op de uitwerkbijlage.
figuur 3
30˚ α 20˚ 10˚ 0˚ -10˚ -20˚ -30˚ 10 15 20 25 30 35 40 45 t (s)
104puitwerkbijlage
Beantwoord nu de volgende vragen:
− Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de
draaifrequentie van de slinger van Wilberforce. Licht je antwoord toe.
− Leg uit of er bij de slinger van Wilberforce sprake is van resonantie.

opgave 3Opgave 3 Haarföhn

Feline onderzoekt een aantal eigenschappen van een haarföhn. Ze wil
allereerst weten hoeveel kilogram lucht de föhn per seconde uitblaast.
Daarvoor gebruikt ze de volgende formule:
Q = Av ρ
Hierin is:
Q de massa van de lucht die per seconde verplaatst wordt,
A de oppervlakte van de luchtopening van de föhn,
v de snelheid van de uitgeblazen lucht,
ρ de dichtheid van de lucht.
113p
Laat zien dat Q dezelfde eenheid heeft als Av ρ .
Om Q te kunnen berekenen, meet Feline
figuur 1
de snelheid van de uitgeblazen lucht en
de diameter van de luchtopening.
De windsnelheidsmeter geeft voor de snelheid van
de lucht 9,5 m s1 . Zie figuur 1.
De diameter van de luchtopening is 4,5 cm .
De dichtheid van lucht is afhankelijk van de
temperatuur. Dit is weergegeven in figuur 2.
De föhn blaast lucht van 20 °C .
figuur bij de opgave
figuur 2
ρ 111,,,444 (kg m-3) 111,,,333 111,,,222 111,,,111 111,,,000 000,,,999 000,,,888 000,,,777 000,,,666 0 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 T (˚C)
Uit de metingen van Feline volgt dat Q = 1,8 ⋅ 102 kgs1 .
123p
Toon dit met een berekening aan.
Om deze berekening te controleren voert Feline een tweede experiment
uit. Ze blaast met de föhn een plastic zak met een volume van 60 liter op.
Het opblazen duurt 3,9 s .
133p
Controleer met deze gegevens dat Q = 1,8 ⋅ 102 kgs1 .
Feline meet het elektrisch vermogen van de föhn in vier standen:
uit, koud, lauw (1) en warm (2). Ze verzamelt haar metingen in een tabel.
StandP (W)
uit0
koud1,0 · 102
16,5 · 102
21,2 · 103
In de föhn zitten twee
figuur 3
142p
M vent
weerstandsdraden en een ventilator.
In de stand ‘koud’ worden de
weerstandsdraden niet gebruikt.
In stand 1 is één weerstandsdraad
aangesloten, in stand 2 zijn beide
weerstandsdraden in gebruik.
De ventilator en de weerstandsdraden
zijn parallel aangesloten. Zie figuur 3.
Leg met behulp van figuur 3 en de tabel
uit dat de weerstandsdraden hetzelfde elektrisch vermogen hebben.
De föhn werkt op een spanning van 230 V . Eén weerstandsdraad heeft
een doorsnede van 0,096 mm2 en is gemaakt van nichroom.
154p
Bereken de lengte van deze weerstandsdraad.
De ventilator levert in alle standen 1 ,8 · 102 kilogram lucht per seconde.
De luchtsnelheid in de koude stand is 9,5 m s1 .
163p
Bereken het rendement van de ventilator in deze stand.

opgave 4Opgave 4 Botsproef

In een botsproef wordt de veiligheid
van een auto getest door deze auto
op een muur te laten botsen. De auto
wordt daarbij van diverse kanten
gefilmd. Met behulp van videometen
kan dan een ( s,t )-diagram gemaakt
worden van een gemarkeerd punt
op de auto. Op de uitwerkbijlage is
het ( s,t )-diagram gegeven van een
figuur bij de opgave
bepaalde botsproef.
173puitwerkbijlage
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de maximale snelheid
van de auto tijdens deze botsproef.
In figuur 1 is een schets van
figuur 1
183p
het ( v,t )-diagram van de
botsende auto gegeven. In
dit diagram zijn zes punten,
A tot en met F , met een stip
aangegeven.
Leg uit op welk punt ( A, B, C,
D, E of F )
− de auto in aanraking komt
met de muur,
− de auto de maximale
vertraging ondergaat,
− de auto stopt met
indeuken.
v A B (m s–1) C D t (s) 0 00 00,,0055 00,,1100 00,,1155 00,,2200 00,,2255 E F
Er is ook een videometing gemaakt van het hoofd van de pop in de auto.
Het ( v,t )-diagram van die meting is op de uitwerkbijlage gegeven.
Volgens wettelijke richtlijnen mag de vertraging van een hoofd nooit groter
zijn dan 60 g, waarbij g = 9,81 ms2 .
194puitwerkbijlage
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage of aan de wettelijke
richtlijnen voor de vertraging van een hoofd is voldaan.
Op de uitwerkbijlage staan drie stellingen die gaan over een botsproef.
203p
Geef per stelling aan of deze stelling waar is of niet waar.
Een autofabrikant heeft ooit een promotiefilmpje gemaakt om de veiligheid
van een bepaald model auto aan te tonen. Daarbij viel de auto 15 m
verticaal recht omlaag.
De foto’s in figuur 2 tonen drie screenshots uit het filmpje.
figuur 2
figuur 2
figuur bij de opgave
figuur bij de opgave
213p
Bereken de snelheid waarmee de auto de grond raakte.
In de middelste foto van figuur 2 werken de normaalkracht FN en de
zwaartekracht FZ op de auto.
222p
Is in de middelste foto FN < FZ , FN = FZ , of is FN > FZ ? Licht je antwoord
toe.

opgave 5Opgave 5 Knallende ballon

Raymond wil een foto maken van
figuur 1
232p
een knallende ballon.
Hij gebruikt een opstelling waarbij
een lamp flitst als een geluidssensor de
knal registreert. De sensor is via een
comparator aangesloten op de flitslamp.
Zie figuur 1. De opstelling staat in een
verduisterde ruimte.
Iedere keer als Raymond op een
krakende stoel klimt om de ballon lek te
prikken, flitst de lamp voortijdig.
Leg uit hoe Raymond de
referentiespanning van de comparator
moet veranderen om voortijdig flitsen te
voorkomen.
figuur bij de opgave
Raymond stelt zijn fotocamera zo in dat de belichtingstijd enkele
seconden is. Op deze manier heeft hij voldoende tijd om de ballon lek te
prikken. De opstelling wordt alleen belicht als de lamp flitst.
Raymond maakt zo een serie foto’s van identieke ballonnen. Om de tijd
tussen de knal en het maken van de foto te veranderen zet hij de
geluidssensor steeds iets verder van de ballon. Voor een spectaculair
effect vult hij de ballonnen voor een deel met water.
In figuur 2 staan drie resultaten. Onder de foto’s staat de afstand tussen
de ballon en de sensor. De temperatuur in de ruimte was 20 °C .
figuur 2
6 cm 30 cm 50 cm
Tussen de knal en het maken van de rechter foto zat een langere tijd dan
tussen de knal en het maken van de linker foto.
243p
Bereken dit tijdsverschil.
De tijd tussen de knal en het moment van de foto kan ook veranderd
worden door de schakeling van figuur 1 uit te breiden met een pulsteller.
De pulsteller moet worden aangestuurd door een pulsgenerator die signalen
met hoge frequenties kan geven.
De lamp flitst bij een hoog signaal bij P.
figuur 3
+ geluidssensor set - M reset U = 1,9 V ref P 8 4 2 1 telpulsen flitslamp pulsgenerator aan/uit ddeecc reset
252p
Bereken op welke frequentie de pulsgenerator ingesteld moet worden om
de lamp binnen 1,5 ms , nadat de geluidsensor de knal heeft geregistreerd,
te laten flitsen.
261p
Leg uit waarom de reset van de pulsteller niet op uitgang 4 kan worden
aangesloten.
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.
Raymond bedenkt dat het knallen van de ballon ook met een
hogesnelheidscamera gefilmd kan worden. Een hogesnelheidscamera
filmt (veel) meer beelden per seconde dan een gewone videocamera.
Uit het filmpje kan hij dan vervolgens een geschikt beeld selecteren.
In de handleiding van de camera vindt hij informatie over het opnemen
van snelle films. Zie figuur 4.
figuur 4
Filmbeeldsnelheid
(beelden per seconde)
Beeldformaat breedte × hoogte
(pixels)
120640 × 480
240448 × 336
420224 × 168
1000224 × 61
Stel dat het knallen van een ballon minimaal 2,5 ms duurt. Bij een te lage
filmbeeldsnelheid kan het knallen tussen twee filmbeelden plaatsvinden.
Raymond kiest voor een filmbeeldsnelheid van 420 beelden per seconde.
272p
Laat met een berekening zien dat bij deze filmbeeldsnelheid de knallende
ballon altijd te zien zal zijn.
Voor een redelijke kwaliteit van een foto mogen de pixels op de afdruk
van een foto niet groter zijn dan 0,127 mm.
282p
Laat met een berekening zien waarom het filmbeeld dan niet geschikt is
voor een vergroting van 20 cm × 15 cm .
Het eindresultaat van het experiment met de flitslamp is te zien op de
uitwerkbijlage.
De ballon had in werkelijkheid een breedte van 22 cm . Op de foto is de
ballon 6,4 keer zo groot afgebeeld als op de beeldchip in het fototoestel.
De afstand tussen de ballon en de lens was 161 cm .
294p
Bereken de brandpuntsafstand van de lens in de camera.