tjoefie

natuurkunde havo 2015 · tijdvak 1 · bezemexamen

A4-weergave

opgave 1Opgave 1 Train Whistle

De ‘Train Whistle’ (zie figuur 1) is een houten fluitje waarmee je het
karakteristieke geluid van de stoomfluit van een stoomlocomotief kunt
nabootsen.
figuur 1
figuur 2
figuur bij de opgave
A D B C THE WHISTLIN’DIXIE LINE
De fluit bestaat uit vier klankkasten A , B , C en D met elk een opening en
een mondstuk. Zie figuur 2. De klankkasten zijn verschillend van lengte:
A = 16,7 cm , B = 14,7 cm , C = 13,2 cm en D = 11,0 cm .
Als de klankkasten tegelijkertijd worden aangeblazen, ontstaan er vier
verschillende grondtonen. Het geluid dat je dan hoort, lijkt op het geluid
van een stoomfluit.
12p
Welke klankkast A , B , C of D geeft de laagste grondtoon? Licht je
antwoord toe met behulp van λ = vT .
Als je met je vingers drie van de vier
figuur 3
23p
openingen afsluit en dan op de fluit
blaast, klinkt er maar één grondtoon. Met
een microfoon en oscilloscoop is deze
grondtoon zichtbaar gemaakt. Het
resultaat is te zien in figuur 3.
De tijdschaal waarop de oscilloscoop is
ingesteld, is 1,0 ms per schaaldeel
( ms div1 ).
Bepaal de frequentie van deze
grondtoon.
figuur bij de opgave
Als van iedere klankkast de periode T van de grondtoon wordt uitgezet
tegen de lengte van de klankkast, ontstaat de grafiek van figuur 4.
Alle vier de klankkasten zijn aan één uiteinde gesloten en aan het andere
uiteinde open.
figuur 4
18 ℓ (cm) 17 16 15 14 13 12 11 10 9 8 0 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 1,6 1,7 1,8 1,9 2,0 2,1 2,2 T (ms)
34p
Bepaal met behulp van de richtingscoëfficiënt van deze grafiek de
snelheid van het geluid in lucht.
In tabel 15C ‘Muziek’ van Binas zijn de zwarte en witte toetsen van een
piano afgebeeld met de bijbehorende frequenties. In deze tabel is
bijvoorbeeld af te lezen dat de ‘ a 1 ’-toets op de piano een frequentie heeft
van 440,00 Hz.
42p
Met welke toets van de piano komt de laagste grondtoon van de fluit het
beste overeen? Licht je antwoord toe met een berekening.

opgave 2Opgave 2 Elektroscooter

figuur bij de opgave
Veel scooters rijden op benzine maar
er zijn ook elektroscooters. Deze
scooters worden aangedreven door
een elektromotor waarvoor de
elektrische energie is opgeslagen in
een accu. De accu wordt opgeladen
met een lader die aangesloten is op
het lichtnet.
Een bepaald type elektroscooter
wordt volledig opgeladen. Er is dan 1,7 kWh elektrische energie
opgeslagen in de accu.
Bij een snelheid van 25 km h1 kan de scooter 70 km afleggen.
Het elektrisch vermogen van de elektromotor is bij een snelheid van
25 km h1 gelijk aan 0,61 kW .
53p
Toon dat aan met een berekening.
De actieradius is de afstand die kan worden afgelegd met een volle accu.
De actieradius wordt kleiner als met een hogere snelheid gereden wordt.
62p
Leg dat uit. Gebruik daarbij W = Fs .
Een bepaald type benzinescooter gebruikt 1,0 liter benzine ( 99 octaan)
per 42 km bij een snelheid van 25 km h1 . Deze benzinescooter verbruikt
ongeveer 9 keer zoveel energie als de elektroscooter.
74p
Toon dit aan met een berekening. Gebruik hierbij tabel 28A van Binas.
In praktijk is de elektroscooter echter niet 9 keer zo zuinig als de
benzinescooter. In het energieverbruik van de elektroscooter is nog geen
rekening gehouden met energieverliezen bij de elektriciteitsopwekking,
het elektriciteitstransport, de lader en de accu.
In figuur 1 staan de rendementen hiervan in een stroomdiagram
weergegeven.
figuur 1
E centrale transport lader accu totaal 1,7 kWh voor 70 km = 40% = 96% = 100% = 43%
83p
Bereken de totale hoeveelheid energie die de elektrische scooter echt
nodig heeft om 70 km af te leggen.
De elektroscooter wordt in twee uitvoeringen geleverd: versie A die maximaal
40 km h1 kan rijden en versie B die maximaal 25 km h1 kan rijden.
De fabrikant heeft met elektroscooter A een remtest uitgevoerd waarbij de
snelheid eenparig vertraagd afnam van 40 km h1 tot stilstand.
In figuur 2 is het verband weergeven tussen de snelheid van scooter A en de
afgelegde afstand vanaf het punt waarop men begonnen is met remmen.
figuur 2
45 v (km h-1) 40 35 30 25 20 ssscccoooooottteeerrr AAA 15 10 5 0 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 s (m)
Volgens de wet moet een elektroscooter een vertraging hebben van minimaal
4,0 m s2 .
94p
Bepaal of elektroscooter A in deze test aan dit wettelijk voorschrift voldoet.
De fabrikant testte ook de remvertraging van een elektroscooter B. Deze
scooter bleek dezelfde vertraging te hebben als elektroscooter A.
104puitwerkbijlage
Voer de volgende opdrachten uit:
− Bepaal met behulp van figuur 2 de remweg van scooter B bij een
snelheid van 25 km h1 .
− Teken op de uitwerkbijlage het ( v,s )-diagram van de remtest van
scooter B bij een snelheid van 25 km h1 .

opgave 3Opgave 3 Elektrische vissen

In de natuur komen vissen voor die
stroomstoten gebruiken om een
prooi te verlammen. Een voorbeeld
van zo’n vis is de sidderaal. Als de
sidderaal een vis wil vangen, gaat
hij naast die vis zwemmen en geeft
een stroomstoot. De prooi wordt
dan verlamd en kan worden
figuur bij de opgave
opgegeten.
Op internet staat over de sidderaal de volgende zin:
“Een sidderaal verdooft zijn prooi met een stroomstoot van enkele
honderden volts.”
111p
Wat is er natuurkundig gezien niet juist aan deze uitspraak?
De sidderaal kan ademen in de lucht en kan zodoende enige tijd buiten het
water overleven. Men kon daarom onderzoek doen naar het vermogen dat
deze vissen kunnen leveren tijdens een ontlading. In figuur 1 zijn twee
momentopnames van een filmpje uit 1954 te zien waarin een onderzoeker de
sidderaal op een bord met neonlampen aansluit. Als een neonlamp op 150 V
is aangesloten, loopt er een stroomsterkte van 50 mA.
figuur 1
figuur 1
figuur bij de opgave
123p
Bepaal het minimale vermogen dat de sidderaal per ontlading kan leveren
als alle neonlampen op het bord normaal branden.
In een ander onderzoek stonden vijf
figuur 2
mensen hand in hand, waarbij de
buitenste personen elk een metalen
staaf vasthielden. De onderzoeker
verbond de staven met de elektroden
op de sidderaal. Zodra hij dat deed,
zag hij de vijf personen lachend
opspringen. Zie figuur 2.
In de tabel hieronder staat informatie
over de effecten van elektrische stroom
op het menselijk lichaam.
figuur bij de opgave
EFFECTEN VAN ELEKTRISCHE STROOM OP HET MENSELIJK LICHAAM .
− Een kriebeling in de hand vanaf 2 mA .
− Spierverkramping in de hand en onderarm vanaf 40 mA .
− Ademhalingsverlamming vanaf 90 mA .
− Verlies van het bewustzijn vanaf 300 mA .
− Hartstilstand vanaf 1 A .
Tijdens dit experiment was de opgewekte spanning circa 150 V . De proef liep
goed af omdat het menselijk lichaam een bepaalde elektrische weerstand
heeft.
133p
Maak met behulp van de tabel een beredeneerde schatting van deze
weerstand.
De sidderaal wekt elektrische
figuur 3
spanning op in speciale cellen: P 600
de elektrocyten. (W) 500
In een volwassen sidderaal zijn
elektrocyten van elk V met elkaar in serie 300 200 grafiek van figuur 3 is elektrisch vermogen 100 dat de vis tijdens 0 serie stroomstoten 0 0,2 0,4 0,6 0,8 t
5000
0,12
geschakeld.
In de
het
gegeven
een
opwekt.
143p
Bereken de maximale stroomsterkte tijdens een stroomstoot.
Er zijn ook vissen waarbij de electrocyten niet uitsluitend in serie staan,
maar deels ook parallel. Deze vissen kunnen daardoor grote
stroomsterktes leveren.
Een sidderrog wekt grote stroomstoten op bij een spanning van 200 V .
Een volwassen sidderrog heeft een half miljoen electrocyten, die elk een
spanning van 0,1 V kunnen leveren.
152p
Ga met een berekening na hoeveel electrocyten in de sidderrog in serie
geschakeld staan en hoeveel parallel.

opgave 4Opgave 4 Luchtspiegeling

Soms kan een automobilist op een
figuur 1
heel warme dag, de auto’s die hem
tegemoet komen ook gespiegeld in
het wegdek zien. Het lijkt dan alsof
er water op de weg ligt, maar de
weg is kurkdroog: de bestuurder ziet
een zogenaamde 'luchtspiegeling'.
Zie figuur 1.
Een luchtspiegeling kan ontstaan als
er boven het wegdek een laagje
hete lucht hangt. De brekingsindex
van koude lucht is verschillend van
die van warme lucht zodat er op het
grensvlak volledige terugkaatsing
kan optreden.
figuur bij de opgave
In figuur 2 is de beschreven situatie schematisch weergegeven. De grijze
rechthoek stelt het hete laagje lucht voor. Vanuit het dak van de tegemoet
komende auto ( L ) is een lichtstraal getekend die (volledig) terugkaatst
tegen de hete luchtlaag en daarna het oog van de bestuurder treft ( P ).
Er is sprake van totale terugkaatsing.
figuur 2
A L B P hete luchtlaag α wegdek L'
162p
Is de brekingsindex van hete lucht kleiner of groter is dan die van koude
lucht? Leg je antwoord uit met behulp van figuur 2.
In de figuur op de uitwerkbijlage zijn, behalve punt L , ook de punten A en
B getekend. Voor een lichtstraal vanuit één van beide punten geldt, dat de
hoek van inval precies gelijk is aan de grenshoek. De figuur is niet op
schaal.
172puitwerkbijlage
Leg met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage uit voor welk punt
( A of B ) dat geldt.
Als de hoek van inval precies gelijk
figuur 3
is aan de grenshoek, is hoek α in
figuur 2 de maximale gezichtshoek
waaronder je de luchtspiegeling
nog kunt zien.
Omdat de brekingsindex voor de
overgang van koude lucht naar
warme lucht afhangt van het
temperatuurverschil Δ T tussen
deze twee luchtlagen, hangt
hoek α ook af van Δ T . Dit verband
is weergegeven in figuur 3.
In een bepaalde situatie geldt:
sin g = 0,99996 .
De temperatuur van de koude lucht
is 20 °C .
0,7 α (in graden) 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 0 0 20 40 60 80 100 ∆T (˚C)
184p
Beantwoord nu de volgende vragen:
− Bereken de maximale gezichtshoek α in 2 significante cijfers.
− Bepaal hiermee de temperatuur van de hete lucht.
Luchtspiegelingen kunnen ook
figuur 4
192p
voorkomen boven een heel koud
oppervlak.
Op de foto van figuur 4 zie je een
luchtspiegeling van een schip. Je ziet
het schip op het water, maar ook
gespiegeld ‘in de lucht hangen’.
Leg uit hoe het komt dat het
spiegelbeeld van het schip in de lucht
te zien is.
figuur bij de opgave

opgave 5Opgave 5 Gloeikousje

In oude kampeerlampen zit soms
nog een gloeikousje. De vlam
van de kampeerlamp zendt
vooral geel licht uit, maar met
behulp van het gloeikousje wordt
het licht witter. Het gloeikousje is
een soort netje waar onder
andere, radioactief Thorium- 227
inzit. In moderne varianten van
deze kampeerlamp zit geen
Thorium-227 meer.
figuur bij de opgave
203p
Geef de vervalvergelijking van Th-227 .
Als het gloeikousje kapot is, moet het
vervangen worden.
Een kampeerder heeft, bij het verwisselen van het gloeikousje in de
gaslamp, op t = 0 een miljard atomen Th-227 in zijn longen gekregen.
214puitwerkbijlage
Teken op de uitwerkbijlage de ( N,t )-grafiek van het verval van Th-227 .
Bereken hiervoor op minstens vier verschillende tijdstippen het aantal
Th-227 kernen.
In de buurt van t = 40 dag ziet de ( N,t )-grafiek eruit zoals in figuur 1 is
weergegeven.
figuur 1
0,2270 0,2265 0,2260 0,2255 0,2250 0,2245
(miljard)
0,2240
39,85 39,90 39,95 40,00 40,05 40,10 40,15
t (dag)
224p
Bepaal de activiteit van Th-227 op t = 40 dag .
Voor de equivalente dosis (het dosisequivalent) die de longen ontvangen,
geldt:
figuur bij de opgave
Hierin is:
H de equivalente dosis (in Sv );
Q de stralingsweegfactor (kwaliteitsfactor);
E de energie die de longen absorberen (in J );
m de massa van de longen (in kg ).
De longen hebben een massa van 0 , 95 kg . De stralingsweegfactor is
hier 2,4 .
234p
Bereken de totale equivalente dosis die de longen ontvangen.
In moderne lampen is Th-227 in het gloeikousjes vervangen door een
mengsel van Yttrium en Cerium.
243p
Welke isotopen van Yttrium en Cerium zijn hiervoor, om reden van
veiligheid, het meest geschikt? Licht je antwoord toe.
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

opgave 6Opgave 6 Riemen vast?

Moderne auto's hebben een automatisch
systeem dat waarschuwt als de
veiligheidsgordel nog niet is vastgemaakt.
Het complete automatisch systeem is al
getekend op de uitwerkbijlage.
Aan de linkerkant zie je drie drukschakelaars:
− de bovenste schakelaar is voor het starten
van de motor. De motor wordt gestart door
even op deze drukschakelaar te drukken.
Als deze schakelaar weer losgelaten wordt,
blijft de motor aan.
− de middelste schakelaar is voor het stoppen
van de motor. De motor wordt gestopt door
figuur bij de opgave
even op deze drukschakelaar te drukken.
− de onderste schakelaar hoort bij de veiligheidsgordel. Als de gordel is
vastgemaakt, is deze schakelaar dicht. De schakelaar gaat open als
de gordel los is.
Als de bestuurder de motor heeft gestart en de veiligheidsgordel nog niet
heeft vastgemaakt, brandt er een lampje op het dashboard en gaat er na
6 s een zoemer piepen met een frequentie van 1 Hz . Als de riem is
vastgemaakt, gaan het lampje en de zoemer uit.
In de figuur op de uitwerkbijlage zie je alle verwerkers die het systeem
bevat. Drie verwerkers zijn aangeduid met I , II en III . Bij de uitgang van
de OF -poort staat de letter A , bij de uitgang van de EN -poort staat de
letter B .
Voor de volgende drie vragen staat op de uitwerkbijlage een tabel waarin
ingevuld moet worden of de uitgangen A en B van deze verwerkers hoog
( 1 ) of laag ( 0 ) zijn.
De motor is gestart en de veiligheidsgordel is nog niet vastgemaakt.
252puitwerkbijlage
Vul in de tabel op de uitwerkbijlage bij A en B de juiste waarde ( 0 of 1 ) in.
De motor is gestart en de veiligheidsgordel is inmiddels wel vastgemaakt.
262puitwerkbijlage
Vul in de tabel op de uitwerkbijlage bij A en B de juiste waarde ( 0 of 1 ) in.
De motor is gestopt en de veiligheidsgordel is nog altijd vastgemaakt.
272puitwerkbijlage
Vul in de tabel op de uitwerkbijlage bij A en B de juiste waarde ( 0 of 1 ) in.
In de figuur op de uitwerkbijlage zijn drie verwerkers aangeduid met I , II
en III .
283puitwerkbijlage
Geef op de uitwerkbijlage aan welke verwerkers er in I, II en III moeten
staan .