opgave 1Lassen
Voor deze opgave moet je gebruikmaken van de tabel met
stofeigenschappen van ijzer in figuur 1.
figuur 1
| stofeigenschap | waarde |
| dichtheid | 7,87∙103 kg m−3 |
| elasticiteitsmodulus | 2,20∙1011 Pa |
| smeltpunt | 1,811∙103 K |
| soortelijke warmte | 0,46∙103 J kg−1 K−1 |
| soortelijke weerstand | 1,05∙10−7 Ω m |
| treksterkte | 3,5∙108 Pa |
| warmtegeleidingscoëfficiënt | 80,3 W m−1 K−1 |
Lassen is een techniek om
metalen delen aan elkaar te
bevestigen. Dit kan door die
delen met een brander zo te
verhitten dat op de plek van de
verhitting het materiaal van beide
delen smelt en vervolgens na
afkoeling tot één geheel samen
vast wordt. Zie figuur 2. Deze
plek wordt een ‘las’ genoemd.
11pHoe heet de tweede faseovergang in het beschreven lasproces?
A bevriezen
B condenseren
C stollen
D sublimeren
Het smeltpunt kan ook bereikt worden
door een elektrische stroom door de
metalen delen te laten lopen. Hiervoor
wordt een puntlasapparaat gebruikt. Een
puntlasapparaat levert een hoge
stroomsterkte bij een lage spanning over
twee elektroden. Twee plaatjes ijzer
worden met een puntlasapparaat aan
elkaar gelast. Zie figuur 3. De plaatjes
worden op elkaar gelegd en krachtig op
elkaar gedrukt door de twee elektroden.
Als de elektroden tegen de plaatjes worden gedrukt gaat er een stroom I
door het ijzer tussen de elektroden lopen. Het ijzer tussen de elektroden
is bij benadering cilindervormig. Zie figuur 4a. De ijzeren plaatjes tussen
de elektroden zijn samen 1,8 mm dik en raken elkaar alleen tussen de
elektroden. De oppervlakte A waarmee de ijzeren plaatjes elkaar raken, is
6,4·10−5 m2 ; deze is even groot als de oppervlakte van de punt van een
elektrode. Zie figuur 4a en 4b.
figuur 4a
figuur 4b
Over de plaatjes staat een spanning van 0,20 V . De stroomsterkte door
het ijzer is op dat moment gelijk aan 68 kA .
23pToon dat aan met een berekening.
De massa van het cilindervormige deel ijzer tussen de elektroden
is 9,1∙10−4 kg . Het ijzer heeft een begintemperatuur van 20 °C .
Van de warmte die ontstaat tussen de elektroden wordt 15% gebruikt om
het ijzer tussen de elektroden tot het smeltpunt te verhitten.
De weerstand van het ijzer tussen de elektroden wordt als constant
beschouwd.
35pBereken na hoeveel tijd het ijzer begint te smelten.
Vaak worden meerdere lassen naast elkaar gemaakt. Zie figuur 5 en
schematisch in figuur 6. De elektrische spanning over de elektroden is
voor iedere las even groot.
figuur 5
figuur 6
De platen raken elkaar alleen op de lassen. Zie figuur 6.
42pLeg uit of de stroomsterkte door de elektroden tijdens het maken van
meerdere lassen naast elkaar groter wordt, kleiner wordt of gelijk blijft.
In werkelijkheid blijft de weerstand
52pvan het ijzer tussen de elektroden
niet constant gedurende het
vormen van een las (de ‘lastijd’).
Zie figuur 7.
Leg met behulp van figuur 7 uit of ijzer
een PTC-materiaal of een
NTC-materiaal is.
De koperen elektroden worden heet tijdens het lassen. Ze moeten daarom
gekoeld worden door er met slangen water doorheen te pompen. Zie
figuur 8.
figuur 8
Op de uitwerkbijlage staan drie stellingen over het heet worden van de
elektroden.
62puitwerkbijlageGeef op de uitwerkbijlage per stelling met een kruisje aan of deze waar of
niet waar is.
Als de las is afgekoeld zijn de ijzeren plaatjes op die plek tot één geheel
met elkaar verbonden. De oppervlakte A van de las is 6,4·10−5 m2 .
Op de las kan een trekkracht F uitgeoefend worden. Zie figuur 9.
figuur 9
72pBereken de maximale trekkracht F op de las zonder dat de las breekt.
opgave 2De maan Europa
De planeet Jupiter heeft meerdere manen. Zie figuur 1. Deze figuur is niet
op schaal. Een van deze manen heet Europa. Gegevens over de maan
Europa zijn te vinden in Binas-tabel 31 of Sciencedata-tabel 3.3a.
figuur 1
De straal van de baan van Europa is 670,9 ⋅ 106 m.
83pBereken de baansnelheid van Europa rond Jupiter.
De oppervlaktetemperatuur van Europa is 173 K . Dit is bepaald door λmax
te meten van het infraroodspectrum dat deze maan uitzendt.
93pBereken de frequentie die hoort bij deze λmax .
Sommige wetenschappers denken dat de temperatuur onder het
oppervlak van Europa veel hoger is dan 173 K . Hun verklaring hiervoor is
de voortdurende verandering van de gravitatiekracht op de maan Europa.
In figuur 2 zijn Jupiter en Europa getekend. Deze figuur is niet op schaal.
Op de maan Europa zijn twee punten gemarkeerd met ‘a’ en ‘b’.
figuur 2
De gravitatiekracht die Jupiter op Europa uitoefent is in punt a niet even
groot als in punt b. Hierdoor wordt Europa een beetje vervormd. Dit is
schematisch weergegeven in figuur 3.
figuur 3
102pBeredeneer met behulp van de formule voor de gravitatiekracht welke
figuur ( I of II) de vervorming van Europa het best weergeeft.
Behalve Jupiter oefenen ook de manen Ganymedes en Io een (kleine)
gravitatiekracht uit op Europa. Omdat deze drie manen ten opzichte van
elkaar in beweging zijn, veranderen deze gravitatiekrachten steeds. De
wetenschappers denken dat de maan Europa zo ‘gekneed’ wordt. Hierbij
zou dan warmte ontstaan waardoor de temperatuur in het inwendige van
Europa kan stijgen.
In figuur 4 is de stand van de drie manen op een bepaald moment t = 0
weergegeven. Neem aan dat Jupiter stilstaat en dat de drie manen in een
cirkelbaan in de aangegeven richting bewegen. Op t = 3,55 d heeft de
maan Io 2,0 omwentelingen om Jupiter gemaakt en is de stand zoals in
figuur 5. Figuur 4 en 5 zijn niet op schaal.
Vergelijk de resulterende kracht op (het zwaartepunt van) Europa in
figuur 5 met die in figuur 4.
111pWelke uitspraak is waar?
A De resulterende kracht op Europa in figuur 5 is kleiner dan die in
figuur 4.
B De resulterende kracht op Europa in figuur 5 is even groot als die in
figuur 4.
C De resulterende kracht op Europa in figuur 5 is groter dan die in
figuur 4.
De omlooptijden van de manen van Jupiter hebben een vaste verhouding
tot elkaar. Er geldt:
TIo : TEuropa : T Ganymedes = 1: 2: 4
Figuur 4 en figuur 5 staan ook op de uitwerkbijlage.
124puitwerkbijlageTeken in de derde figuur op de uitwerkbijlage de stand van de manen op
t = 5,32 d . Leg je antwoord uit met behulp van een berekening.
opgave 3Kitmarker
Een kitmarker is een permanente
133plichtbron die aan een sleutelbos
gehangen kan worden. Zie figuur 1.
Zo zijn sleutels in het donker terug
te vinden. Een kitmarker heeft
geen batterij. Het is een glazen
buisje met daarin gasvormig H-3
(tritium). Tritium is een β -straler.
Geef de vergelijking van de
vervalreactie van tritium.
De binnenkant van de glazen buis
is voorzien van een speciale verflaag. De vrijgekomen straling uit het
tritiumverval zorgt ervoor dat de verflaag groenblauw licht gaat uitzenden.
De fotonen van dit zichtbare licht hebben een energie van 2,5 eV.
143pBereken de frequentie van deze fotonen.
De uitgezonden β -deeltjes passeren de positieve kernen van het tritium.
Hierbij verandert de richting van de baan van het β -deeltje.
151pIn welke figuur is een mogelijke verandering van de richting van de baan
juist weergegeven?
Bij de verandering van de baan van een β -deeltje komt energie vrij. Deze
energie komt vrij als een foton met een energie van 1,0 ∙10−2 MeV. Dit
foton wordt ook door de kitmarker uitgezonden.
161pWelke soort elektromagnetische straling is dit?
A ultraviolette straling
B röntgenstraling
C zachte gammastraling
D harde gammastraling
Sleutels worden vaak meegenomen in een broekzak. De kitmarker wordt
dan langdurig tegen het lichaam gedragen. Een onderzoeker wil het risico
hiervan onderzoeken. Hij wil veilig de halveringsdikte voor deze fotonen in
menselijk lichaamsweefsel bepalen. In plaats van menselijk weefsel
gebruikt hij aluminium en hanteert hij daarbij de volgende vuistregel:
Achter aluminium plaatjes van diverse diktes meet de onderzoeker de
intensiteit van de straling afkomstig van de kitmarker. Hij meet met een
GM-teller het aantal pulsen per minuut. Zijn metingen zijn uitgezet in een
diagram. Zie figuur 2.
figuur 2
Ten slotte heeft hij de achtergrondstraling bepaald. Deze is
1,00∙103 pulsen per minuut. Figuur 2 is ook op de uitwerkbijlage
weergegeven.
174puitwerkbijlageBepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de halveringsdikte
voor de straling van de kitmarker in menselijk lichaamsweefsel.
De onderzoeker neemt aan dat iemand de kitmarker 8,0 uur per dag in
zijn zak heeft. De bestraalde lichaamsmassa is 1,5∙102 gram. Deze massa
absorbeert per seconde de energie van 1,25∙103 fotonen.
De weegfactor voor deze straling is 1 . Ieder foton heeft een energie van
1,6∙10−15 J . De equivalente dosislimiet voor dit deel van het lichaam is
50 mSv per jaar.
184pToon met een berekening aan of de opgelopen straling beneden de
jaarlijkse equivalente dosislimiet blijft.
opgave 4Sprong van Luke Aikins
In 2016 sprong skydiver Luke Aikins zonder parachute vanaf een hoogte
van bijna 8 km recht naar beneden. Boven de grond was een groot net
opgespannen om hem veilig op te vangen. Zie figuur 1 en 2.
Aikins ondervond een luchtweerstandskracht. Hiervoor geldt:
Fw = kAv2
Hierin is:
− k een constante;
− A de frontale oppervlakte van Aikins;
− v de snelheid ten opzichte van de lucht.
192pLeid de eenheid van k af in (grond)eenheden van het SI zoals vermeld in
Binas-tabel 3a of Sciencedata-tabel 1.3a.
Dankzij de luchtweerstandskracht bereikte hij na verloop van tijd een
constante snelheid van 54 m s−1 . Zijn massa is 75 kg en zijn frontale
oppervlakte is 0,80 m2 .
202pBereken de waarde van k .
Tijdens de laatste 1,0 kilometer op weg naar het net was Aikins’
valsnelheid 54 m s−1 . Ook was er zijwind die hem een constante
horizontale snelheid zou geven van 4,9 km h−1 . Aikins moest tijdens zijn
val daarom bijsturen op weg naar het net.
214pVoer de volgende opdrachten uit:
− Bereken de valtijd waarin Aikins de 1,0 kilometer naar het net aflegde.
− Bereken hoe ver Aikins zou afwijken van de koers als hij niet zou
bijsturen.
Een landing op de buik is gevaarlijk. Aikins moest daarom vlak voor de
landing draaien. Dat deed hij door een van zijn handen dichter bij zijn
lichaam te houden. In figuren 3 en 4 is dat weergegeven. Aikins wordt
hierbij als stilstaand beschouwd, terwijl de bewegende lucht
weerstandskracht op zijn beide handen uitoefent. Andere krachten worden
niet meegenomen.
grote luchtweerstandskrachten. De zich toe. De grootte van de
werklijnen en aangrijpingspunten
van deze krachten zijn
weergegeven in de figuur.
Aikins is hierbij in evenwicht.
begint Aikins te draaien rondom
draaipunt D , in de richting van de
kracht met het grootste moment.
Op de uitwerkbijlage staan figuren 3 en 4 en twee invulzinnen.
224puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit:
− Teken op de uitwerkbijlage in beide figuren de
luchtweerstandskrachten op de handen. Teken alle krachten in de
juiste onderlinge verhouding.
− Teken in beide figuren de armen die horen bij deze krachten.
− Omcirkel in iedere zin het goede antwoord.
Van de landing in het net is een videometing gemaakt. Zie figuur 5.
figuur 5
Het net remde Aikins af van 54 m s−1 tot stilstand. Tijdens het afremmen
legde Aikins nog 37 m naar beneden af. Verwaarloos de arbeid door de
luchtwrijvingskracht tijdens het remmen.
234pBereken de energie die het net geabsorbeerd heeft.
Het net moest aan diverse eisen voldoen om Aikins veilig tot stilstand te
brengen. Op de uitwerkbijlage staat een tabel met technische
ontwerpoplossingen voor het net en natuurkundige concepten die daarbij
een rol spelen.
242pOmcirkel bij elke ontwerpoplossing het beste bijbehorende natuurkundige
concept.
Op de uitwerkbijlage staat het ( v,t )-diagram van het laatste deel van de
stunt van Aikins: het afremmen in het net. Ook staat op de uitwerkbijlage
een tweede diagram. In dit diagram is af te lezen gedurende hoeveel tijd
een mens een bepaalde vertraging veilig kan ondergaan voordat deze
vertraging schadelijk wordt.
254puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit met behulp van de grafieken op de
uitwerkbijlage:
− Bepaal de grootte en de tijdsduur van de maximale vertraging die
Aikins onderging.
− Toon aan of deze maximale vertraging veilig was voor Aikins.
opgave 5Cicaden
In het bos zijn in de zomer vaak cicaden te vinden. Zie figuur 1 en 2.
Figuur 2 is hier op ware grootte.
De mannetjes van deze insectensoort produceren een hard geluid om
vrouwtjes te zoeken.
262puitwerkbijlageOmcirkel in iedere zin op de uitwerkbijlage het goede antwoord.
De mannetjes produceren het geluid door het afwisselend samentrekken
en ontspannen van een spier, waardoor een zogenaamde tymbaal van
vorm verandert.
Bij het aanspannen van de spier veroorzaakt die vormverandering van de
tymbaal kortstondig een geluidspuls (de ‘in-klik’). Door de spier te
ontspannen klapt de tymbaal weer terug en wordt opnieuw een korte
geluidspuls gemaakt (de ‘uit-klik’). Zie figuur 3.
figuur 3
Van het geluid van een cicade is een oscillogram gemaakt. Zie figuur 4.
figuur 4
In figuur 4 is opeenvolgend het patroon van de geluidspuls van de in-klik
en van de uit-klik te zien.
Het oscillogram is gemaakt met een meetapparaat dat voor de
tijdsregistratie gebruikmaakt van een klok. De klok produceert om de
10 ms een piek. Die pieken zijn ook weergeven in figuur 4. Deze figuur
staat ook op de uitwerkbijlage.
273pBepaal de frequentie van het geluid van de uit-klik.
Het geluid wordt door de buikholte versterkt.
281pGeef de naam van dit verschijnsel.
In figuur 4 is te zien dat de amplitude van de trilling van de uit-klik
afneemt.
291pWat betekent dat voor het geluid dat bij die trilling hoort?
A De toon wordt in de loop van de tijd luider.
B De toon wordt in de loop van de tijd hoger.
C De toon wordt in de loop van de tijd lager.
D De toon wordt in de loop van de tijd zachter.
De mannetjescicaden maken dit geluid om vrouwtjes te vinden. Een
vrouwtje reageert door geluid te maken met haar vleugels. In het bos
kunnen bomen het geluid blokkeren als de golflengte van het geluid korter
is dan de breedte van een boom. Bij een langere golflengte buigt het
geluid om de boom heen en is het ook achter de boom te horen. De
temperatuur in het bos is 30 °C .
303pBepaal de maximale frequentie van het geluid van het vrouwtje dat ook
achter de boom uit figuur 1 te horen is. Schat daartoe eerst de dikte van
die boom met behulp van figuur 1 en 2.
Bronvermelding
Een opsomming van de in dit examen gebruikte bronnen, zoals teksten en afbeeldingen, is te vinden in het bij dit examen
behorende correctievoorschrift, dat na afloop van het examen wordt gepubliceerd.