opgave 1Kunstmatige meteoroïden
Meteoroïden zijn objecten uit de ruimte die lichtflitsen veroorzaken bij het
binnendringen en doorkruisen van de atmosfeer van de aarde. Deze
lichtflitsen zijn als lichtsporen aan de hemel te zien. Zie figuur 1.
figuur 1
Meteoroïden komen de aardatmosfeer binnen met een snelheid tussen
3,5 ⋅ 104 kmh−1 en 2,5 ⋅ 105 kmh−1 . De meteoroïde in figuur 1 was
gedurende 1,22 s zichtbaar aan de hemel.
14pBereken de maximale lengte van het spoor van deze meteoroïde. Noteer
je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.
Het waarnemen van een meteoroïde is een toevalstreffer. Daarom
ontwikkelt een Japans bedrijf kunstmatige meteoroïden om deze op
afroep als kosmisch vuurwerk in te zetten. Het bedrijf heeft een satelliet
ontworpen die vanuit de ruimte metalen bolletjes kan lanceren richting de
aarde. Deze bolletjes komen de aardatmosfeer binnen op hoge snelheid.
Door de luchtwrijving bereiken de bolletjes een zeer hoge temperatuur
waardoor ze gedurende langere tijd helder licht uitzenden.
Het bedrijf heeft de bolletjes getest in een testopstelling waar ze de vlucht
door de aardatmosfeer nabootsen met een luchtstroom. De temperatuur
van de bolletjes wordt bepaald door de golflengte van de straling met de
hoogste intensiteit te meten. Deze is 940 nm .
23pBereken de temperatuur van de bolletjes in ° C .
De satelliet van het bedrijf draait op 4,0 ⋅ 102 km hoogte boven het
aardoppervlak in een cirkelbaan.
34pBereken de snelheid van de satelliet in deze baan.
De bolletjes beginnen hun val vanuit de satelliet richting aarde.
Max en Lara hebben ieder een verklaring waarom een bolletje niet in een
cirkelbaan om de aarde blijft draaien, maar naar de aarde toe valt:
− Volgens Max valt een bolletje naar de aarde omdat het een lagere
snelheid heeft dan de benodigde baansnelheid.
− Volgens Lara valt een bolletje naar de aarde omdat de gravitatiekracht
groter is dan de middelpuntzoekende kracht die nodig is voor de
cirkelbaan.
41pWie heeft er gelijk?
A Alleen Max heeft gelijk.
B Alleen Lara heeft gelijk.
C Beiden hebben gelijk.
D Geen van beiden heeft gelijk.
De bolletjes beginnen hun val richting aarde met een beginsnelheid van
7,5 ⋅ 103 ms−1 .
De valversnelling mag tijdens de hele val gelijkgesteld worden aan de
valversnelling op aarde. Op een hoogte van 1,0 ⋅ 102 km komen de
bolletjes de aardatmosfeer binnen.
De snelheid van de bolletjes is dan lager dan de snelheid van
3,5 ⋅ 104 kmh−1 van een echte meteoroïde.
54pToon dat aan met een berekening met de wet van behoud van energie.
De kunstmatige meteoroïden lichten op als ze de atmosfeer op
h = 1,0 ⋅ 102 km boven het aardoppervlak binnendringen. Ze zijn op dat
moment overal vanaf het aardoppervlak waarneembaar binnen een
cirkelvormig gebied dat de basis is van een kegel met hoogte h en een
tophoek α van 77 graden. Zie schematisch en niet op schaal in figuur 2.
figuur 2
In figuur 3 zijn vier gebieden ( I , II , III en IV) met bijbehorende orde van
grootte weergegeven.
figuur 3
63pLeg met behulp van een berekening uit welk gebied ( I , II , III of IV ) het
grootste gebied is waarbinnen het kosmisch vuurwerk van de meteoroïden
nog overal zichtbaar is.
opgave 2Knakworstenverwarmer
Lieke onderzoekt of het mogelijk is om een knakworst te verwarmen door
er een elektrische stroom doorheen te sturen.
Hiervoor prikt ze twee aansluitpunten in een knakworst en bouwt ze de
schakeling van figuur 1.
figuur 1
In de schakeling van figuur 1 zijn twee meters ( I en II) opgenomen.
Eentje werkt als spanningsmeter, de andere als stroommeter.
72pLeg op basis van de schakeling in figuur 1 uit welke meter ( I of II ) de
stroommeter is.
Lieke meet de stroom I door de knakworst bij verschillende
spanningen U . Ze voert de metingen in zeer korte tijd uit, om de
knakworst tijdens deze metingen nog niet te laten opwarmen.
Van haar metingen maakt ze een ( I,U )-diagram. Zie figuur 2.
figuur 2
Op het potje van de knakworsten staat dat er zout in zit. Lieke vraagt zich
af of de soortelijke weerstand van de knakworst hetzelfde is als die van
zout water. Op internet vindt ze dat de soortelijke weerstand van zout
water gelijk is aan 0,24 Ω m .
De knakworst heeft een diameter van 15 mm en de lengte van de
knakworst tussen de aansluitpunten van de draden is 8,0 cm .
86pVoer de volgende opdrachten uit:
− Bepaal met behulp van figuur 2 de weerstand van de knakworst.
Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
− Toon met een berekening aan of de soortelijke weerstand van de
knakworst gelijk is aan die van zout water.
Vervolgens zet Lieke een constante spanning over de knakworst. Nu laat
ze de knakworst wel opwarmen. Het valt Lieke op dat de stroomsterkte
niet constant blijft tijdens het verwarmen. Ze maakt daarom een ( I,t )-
diagram. Zie figuur 3.
figuur 3
93pLeg met behulp van figuur 3 uit of de knakworst zich gedraagt als een
NTC of als een PTC.
Lieke laat de knakworst in 14 minuten opwarmen van een temperatuur
van 22 ° C tot een temperatuur van 60 ° C . Ze vraagt zich af wat het
rendement is van haar opstelling tijdens het opwarmen van de knakworst.
Het gemiddelde elektrische vermogen tijdens het opwarmen is 3,9 W . De
massa van de knakworst is 20 g .
Ze vindt op internet dat vlees een soortelijke warmte heeft van
3,0 ⋅ 103 Jkg−1 K−1 .
104pBereken het rendement van de opstelling.
Lieke wil nu met haar opstelling, in dezelfde tijd als bij één knakworst,
meerdere knakworsten tegelijk opwarmen tot een temperatuur van 60 ° C.
Op de spanningsbron staat vermeld dat deze een maximale spanning van
35 V kan leveren en een maximale stroomsterkte van 5,0 A .
113pLeg met behulp van figuren 2 en 3 uit of ze de knakworsten dan in serie of
parallel moet aansluiten op de spanningsbron.
opgave 3Boombrommer
Betelnoten groeien in de toppen van palmbomen. De stammen van die
bomen zijn hoog en kaarsrecht. Zie figuur 1. Boeren beklimmen deze
bomen om de noten te plukken. Een uitvinder heeft een boombrommer
gemaakt om langs een stam omhoog naar de top te kunnen ‘rijden’. Zie
figuur 2.
De brommer klemt met wielen om de stam.
Een benzinemotor kan de brommer met constante snelheid langs de stam
naar boven laten rijden.
De boombrommer is uitgerust met een rem. Deze rem zorgt voor een
grote remkracht op de brommer, waardoor die stil kan hangen aan de
stam. De boombrommer kan vanuit stilstand weer afdalen langs de stam
door de remkracht te verkleinen.
De uitvinder heeft een testrit gemaakt om de boombrommer te
demonstreren. Van deze rit is een ( h,t )-diagram gemaakt. Zie figuur 3.
figuur 3
Op de uitwerkbijlage staat een tabel.
122pGeef in de tabel met een kruisje per tijdstip aan welke bewering juist is.
Figuur 3 staat ook op de uitwerkbijlage.
134puitwerkbijlageBepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de maximale
snelheid waarmee de brommer langs de stam naar boven rijdt. Geef in de
figuur aan hoe je aan je antwoord komt. Noteer je antwoord in twee
significante cijfers.
In figuur 4 is de situatie van een stil hangende boombrommer
schematisch en op schaal weergegeven. Bij het ontwerp is handig
gebruikgemaakt van de hefboomwet. De brommer heeft een draaipunt D.
De boom oefent op steunwiel S alleen een normaalkracht Fn uit. Door de
arm rFn ontstaat er een moment M. Dit is in evenwicht met het moment
van de zwaartekracht Fz op de uitvinder en brommer samen. De uitvinder
hangt stil. De massa van de uitvinder en boombrommer samen is 104 kg .
figuur 4
Figuur 4 staat ook op de uitwerkbijlage.
144pVoer de volgende opdrachten uit:
− Teken de arm van de zwaartekracht.
− Bepaal met behulp van de hefboomwet de grootte van de
normaalkracht Fn op steunwiel S. Noteer je antwoord in twee
significante cijfers.
De uitvinder wil dat de boom niet wordt beschadigd. Daarom wil hij Fn zo
klein mogelijk houden. In het ontwerp kan hij de afstand SD kleiner
maken.
153pLeg uit of Fn groter wordt, kleiner wordt of gelijk blijft door een kleinere
afstand SD.
De uitvinder beweert dat hij 135 bomen van elk 30 m hoog kan beklimmen
met 1,5 liter benzine. Het rendement van de motor die in de
boombrommer zit, is 18% .
165pToon met een berekening aan of de bewering van de uitvinder kan
kloppen.
opgave 4Wiebelgenerator
Er wordt onderzoek gedaan naar een nieuwe methode om windenergie
om te zetten in elektrische energie. Bij een bepaalde experimentele
methode wordt een lange paal gebruikt waarin staande golven ontstaan
als de paal in de wind staat. De wiebelende paal wekt elektriciteit op en
wordt dan ook ‘wiebelgenerator’ genoemd. Voor een test is een prototype
van een wiebelgenerator gemaakt met een 12,5 m lange paal. Zie
figuur 1. In deze figuur is schematisch weergegeven hoe de paal in de
grondtoon trilt.
figuur 1
172puitwerkbijlageGeef in de figuur op de uitwerkbijlage het patroon van knopen (K) en
buiken (B) voor de eerste boventoon van de paal.
De frequentie waarmee de paal gaat trillen, is afhankelijk van de
voortplantingssnelheid van de golven in de paal. Om deze snelheid te
bepalen, wordt tijdens een test de paal aan het trillen gebracht in de
grondtoon. Zie figuur 1. Van deze trilling wordt een ( u , t )-diagram gemaakt.
Zie figuur 2.
figuur 2
184pBepaal met behulp van figuren 1 en 2 de voortplantingssnelheid die uit
deze test volgt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Als gevolg van de wind ontstaan er rond de paal wervelingen met een
bepaalde frequentie fw . Voor een zo groot mogelijke opbrengst van de
wiebelgenerator moet fw gelijk zijn aan de eigenfrequentie f0 van de
grondtoon. De frequentie fw is niet constant, maar afhankelijk van de
windsnelheid. De eigenfrequentie f0 moet dus aangepast kunnen worden
tijdens het veranderen van de windsnelheid. De onderzoekers denken dit
te kunnen doen met een technische oplossing waarmee de veerconstante
van de paal kan worden verhoogd of verlaagd.
De paal is te modelleren als een massa-veer-systeem.
Op de uitwerkbijlage staan hierover twee zinnen.
192puitwerkbijlageOmcirkel op de uitwerkbijlage in iedere zin het juiste alternatief.
Met behulp van het model wordt berekend dat het nuttige vermogen van
de wiebelgenerator bij een bepaalde lengte van de paal gelijk is aan
100 W . Men wil het rendement van de wiebelgenerator bij een
windsnelheid van 12 m s˗1 vergelijken met het rendement van een
reguliere windturbine onder dezelfde omstandigheden.
Voor het vermogen dat de wind overdraagt op de wiebelgenerator geldt:
Pwind = 0,30· ρ · A · v3
Hierin is:
− Pwind het overgedragen vermogen;
− ρ de dichtheid van lucht;
− A het frontaal oppervlak van de wiebelende paal;
− v de windsnelheid.
Het frontaal oppervlak voor de paal in het model wordt gesteld op 1,2 m2 .
Een reguliere windturbine heeft onder dezelfde omstandigheden een
rendement van 35% .
203pToon met behulp van een berekening aan of het rendement van de
wiebelgenerator dat volgt uit dit model hoger of lager is dan het
rendement van de reguliere windturbine.
opgave 5Gebitsfoto
Om het gebit goed te kunnen beoordelen, maakt de tandarts
röntgenscans. Voor het maken van een röntgenscan kan de tandarts een
röntgenapparaat met een draaibare scanner gebruiken waarmee die een
foto van het volledige gebit kan maken. In korte tijd draait de scanner
rondom het hoofd van de patiënt. Zie figuur 1.
figuur 1
De röntgenstraling wordt opgewekt in een zogenaamde röntgenbuis. Dit
gebeurt door in de röntgenbuis een trefplaatje te beschieten met
elektronen. De snelheid van de elektronen kan verhoogd worden door het
verhogen van een instelbare spanning U over de röntgenbuis. Zie
figuur 2.
figuur 2
Snellere elektronen leveren fotonen op met een hogere foton-energie en
dus een kleinere golflengte. De golflengte van fotonen die voor
gebitsfoto’s worden gebruikt, ligt tussen de 0,01 nm en 10 nm . De
spanning U is zo ingesteld dat de fotonenergie 85 keV is.
214pToon met een berekening aan dat de golflengte van de gebruikte fotonen
binnen het aangegeven gebied ligt.
Hoeveel fotonen er per seconde ontstaan, wordt onder andere bepaald
door de stroomsterkte I van de elektronen in de röntgenbuis. Deze
stroomsterkte is 6,0 mA . Slechts 1 op de 100 elektronen uit deze stroom
maakt echt een foton vrij in het trefplaatje.
223pBereken hoeveel fotonen er per seconde ontstaan.
Om de stralingsdosis goed te kunnen instellen, worden proefmetingen in
de scanner gedaan met een pop die werkt als een dosimeter.
De pop ontvangt tijdens een proefscan een stralingsvermogen van
2,6 ⋅ 10−4 W. Het maken van de totale scan duurt 16,7 s . De massa van het
bestraalde materiaal is 1,5 kg .
233pBereken de dosis die de pop ontvangt tijdens deze proefscan.
In figuur 3 is de scan te zien zoals een tandarts die heeft gemaakt van
een patiënt. Eén van de kiezen van de patiënt is vervangen door een
implantaat van metaal. In de vergroting zijn een originele kies en het
implantaat zichtbaar. De kies en het implantaat hebben dezelfde dikte. Zie
het schematische bovenaanzicht in figuur 4.
figuur 3
figuur 4
De donkere gebieden op de scan in figuur 3 geven aan dat er op die
plaatsen meer straling door de ontvanger gemeten is.
242pLeg uit of het implantaat een grotere of kleinere halveringsdikte heeft dan
de originele kies.
Bronvermelding
Een opsomming van de in dit examen gebruikte bronnen, zoals teksten en afbeeldingen, is te vinden in het bij dit examen
behorende correctievoorschrift.