opgave 1Kaval
Een kaval is een Turkse herdersfluit. Zie figuur 1.
figuur 1
De lucht in de fluit wordt in trilling gebracht door over een mondstuk heen
te blazen.
Jeroen ziet op internet een filmpje van een kaval en besluit deze fluit te
onderzoeken. Uit het filmpje blijkt dat de kaval 700 mm lang is. Hij
vergelijkt het geluid van de kaval met zuivere tonen uit een toongenerator
en ontdekt dat 277 Hz de laagste toonhoogte is die de kaval kan
produceren.
Jeroen beschouwt de kaval als een buis met twee open uiteindes. Hij
neemt aan dat de luchttemperatuur 20 °C is. Hij berekent dat de laagst
mogelijke toon dan 245 Hz is.
13pToon dat aan met een berekening.
Jeroen gaat uitzoeken waarom de toon in werkelijkheid hoger is dan hij
heeft berekend. Hij onderzoekt drie mogelijke verklaringen.
Hij vraagt zich als eerste af of hij de kaval beter kan modelleren als een
buis met één open en één gesloten uiteinde in plaats van een buis met
twee open uiteinden.
24puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit:
− Geef op de uitwerkbijlage voor beide modellen het patroon van
knopen (K) en buiken (B) dat hoort bij de grondtoon.
− Leg aan de hand van dit patroon uit dat het verschil tussen de
gemeten en berekende laagste toonhoogte van de kaval niet verklaard
kan worden door de keuze voor dit model.
Jeroens tweede verklaring voor het verschil in toonhoogte is dat de
luchttemperatuur tijdens de meting niet gelijk was aan 20 ºC . Hij gebruikt
weer het model met twee open uiteinden. Hij berekent dat de
geluidssnelheid dan 387 ms−1 geweest moet zijn.
32pLeg met behulp van het informatieboek uit dat ook deze verklaring niet
goed kan zijn.
Jeroens derde verklaring heeft te maken met extra gaten aan het uiteinde
van de kaval die niet met de vingers worden gesloten, de zogenaamde
devil holes. Zie figuur 2.
figuur 2
Devil holes zorgen voor boventonen en kunnen ook invloed hebben op de
hoogte van de grondtoon. Om de invloed van de devil holes te
onderzoeken, neemt Jeroen twee even lange buizen. Hij boort in één buis
devil holes. Hij maakt voor beide buizen een ( u , t )-diagram van de laagste
toon. Voor de buis zonder devil holes is de laagste toon 245 Hz.
Zie figuur 3. Er staan geen waardes bij de assen, maar de tijdschaal is
voor beide diagrammen gelijk.
figuur 3
44pVoer de volgende opdrachten uit:
− Bepaal met behulp van figuur 3 de frequentie van de laagste toon van
de buis met devil holes.
− Geef aan of devil holes een aannemelijke verklaring kunnen zijn voor
het verschil tussen gemeten ( f = 277 Hz) en berekende
( f = 245 Hz) laagste toonhoogte van de echte kaval.
opgave 2Papieren schakelingen
Het materiaal van de stift van een potlood is elektrisch geleidend. Een
potloodlijn die op papier getekend is, is daardoor ook elektrisch geleidend
en werkt als een draad met weerstand.
Er bestaan verschillende soorten potloden. De stift van ieder potlood
bestaat uit een mix van grafiet en vulmiddel. Harde ‘H’ potloden bevatten
veel vulmiddel en weinig grafiet, zachte ‘B’ potloden bevatten weinig
vulmiddel en veel grafiet. De soortelijke weerstand van het vulmiddel is
2,5 ⋅ 102 Ω m.
Theo en Rob hebben een artikel gelezen over op papier getekende
draden en gaan hier onderzoek naar doen. Ze willen een potloodlijn met
een zo klein mogelijke weerstand tekenen.
53pLeg met behulp van het informatieboek uit of Theo en Rob voor een
hard (H) of een zacht (B) potlood moeten kiezen.
Theo en Rob hebben elk een potloodlijn getekend met hetzelfde potlood.
Beide lijnen zijn gelijk in lengte en breedte. Ze meten de elektrische
weerstand met een multimeter. De multimeter is met zogenaamde
krokodillenklemmen verbonden met de potloodlijn. De potloodlijn van
Theo ( I ) is met een dikkere laag getekend en daardoor donkerder
gekleurd dan de lijn van Rob ( II ). Zie figuur 1.
figuur 1
62pLeg met behulp van de formule voor soortelijke weerstand uit bij welke
potloodlijn ( I of II ) ze de kleinste weerstand meten.
Rob sluit een 9,0 V batterij en een led aan op twee identieke
potloodlijnen. Zie figuur 2.
figuur 2
De led heeft minimaal een spanning van 1,4 V nodig om licht te geven. In
figuur 3 staat het ( I , U )-diagram van de led.
figuur 3
75pBepaal met behulp van een berekening en figuur 3 bij welke weerstand
van één potloodlijn de led net brandt. Noteer je antwoord in twee
significante cijfers.
Voor de weerstand van één getekende potloodlijn uit figuur 2 geldt het
volgende verband:
Hierin is:
− R de weerstand van het lijnstuk;
− k een constante;
− l de lengte van het lijnstuk;
− b de breedte van het lijnstuk.
Eén potloodlijn in figuur 2 heeft in werkelijkheid een weerstand van
1,2 ⋅ 104 Ω bij een breedte van 0,50 cm en een lengte van 12 cm .
83pVoer de volgende twee opdrachten uit:
− Leid af dat de constante k de eenheid Ω heeft.
− Bereken de waarde van de constante k.
Theo maakt een nieuwe schakeling. Hierbij sluit hij twee identieke leds
aan op twee getekende potloodlijnen. Zie figuur 4.
figuur 4
Theo constateert dat de led dichter bij de batterij feller brandt dan de led
verder van de batterij. In figuur 5 zijn vier mogelijke schakelschema’s
getekend.
figuur 5
93pVoer de volgende twee opdrachten uit:
− Geef aan welk schakelschema ( I , II , III of IV ) de situatie het best
weergeeft.
− Leg het verschil in felheid tussen de leds uit met behulp van het
gekozen schakelschema.
opgave 3Coconuts
Exoplaneten zijn planeten die rond een andere ster dan de zon draaien.
In 2020 werd de exoplaneet COCONUTS-2b ontdekt met behulp van een
foto. Deze exoplaneet draait rond de ster COCONUTS-2a. Zie figuur 1.
figuur 1
De exoplaneet heeft een hoge oppervlaktetemperatuur van 160 °C . De
straling die de exoplaneet bij deze temperatuur uitzendt is door de
onderzoekers vastgelegd met behulp van een camera.
103pLeg met behulp van een berekening uit of COCONUTS-2b gefotografeerd
is met een camera voor infraroodstraling, voor ultravioletstraling of voor
zichtbaar licht.
Vanaf de aarde zie je COCONUTS-2a op een andere positie dan
COCONUTS-2b. Tussen deze twee kijkrichtingen zit een kijkhoek. Deze is
0,165 ° . In figuur 2 is dit schematisch maar niet op schaal weergegeven.
figuur 2
De afstand r tussen COCONUTS-2b en zijn ster COCONUTS-2a is
9,65·1014 m.
113pToon dit aan met behulp van figuur 2.
COCONUTS-2b beweegt in een cirkelvormige baan rond de ster
COCONUTS-2a. De massa van de ster is 0,35 keer die van de zon.
De baansnelheid van COCONUTS-2b is gelijk aan 2,2·102 ms−1 .
124pToon dat aan met een berekening.
figuur 3
Er zijn al duizenden exoplaneten in
andere sterrenstelsels ontdekt.
Meestal worden deze ontdekt met de
transitmethode. Bij deze methode
wordt de verandering in
waargenomen lichtintensiteit van de
ster gemeten. Deze waargenomen
lichtintensiteit neemt tijdelijk af
wanneer een planeet voor de ster
langs beweegt. Zie figuur 3.
De transitmethode was geen geschikte methode om COCONUTS-2b te
detecteren.
134pVoer de volgende opdrachten uit:
− Bereken hoelang een jaar op COCONUTS-2b duurt, uitgedrukt in
aardse jaren. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante
cijfers.
− Geef aan waarom de transitmethode geen geschikte methode is om
COCONUTS-2b te detecteren.
opgave 4Springende larven
Onderzoekers hebben ontdekt dat de larven
144puitwerkbijlagevan een bepaalde kever zeer hoog kunnen springen
in verhouding tot hun lengte. John en Imani
onderzoeken dit.
Van een sprong is een stroboscopische foto
gemaakt. Zie figuur 1. De larve is zes keer
gefotografeerd tijdens de sprong. Het zwaartepunt Z
van de larve is in ieder beeld aangegeven.
Figuur 1 is gemaakt met een camera die 132 foto’s
per seconde maakt. Figuur 1 staat op schaal op de
uitwerkbijlage.
Bepaal met behulp van de figuur op de
uitwerkbijlage de gemiddelde snelheid van de larve
tussen het moment van loskomen van de grond (1)
en het bereiken van het hoogste punt (6). Noteer je
antwoord in twee significante cijfers.
Imani maakt een ( v , t )-diagram van de snelheid tijdens het begin van de
sprong. Het resultaat staat in figuur 2.
figuur 2
Imani wil met behulp van het diagram het vermogen van de larve gaan
bepalen. Hiervoor heeft ze de gemiddelde resulterende kracht Fres gem
over de hele afzet nodig. Ze bepaalt daarvoor de afstand waarover de
larve zich heeft afgezet.
Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.
152puitwerkbijlageLeg met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage uit hoe Imani deze
afstand heeft bepaald. Laat in de figuur zien hoe Imani aan haar antwoord
komt. Je hoeft deze bepaling niet uit te voeren.
Imani heeft de afzetafstand bepaald op 0,72 mm . De massa van deze
soort larve is 1,3 ⋅ 10−6 kg. Uit een energiebeschouwing met de maximale
snelheid ve volgt dat de gemiddelde resulterende kracht Fres gem gelijk is
aan 6,1 ⋅ 10−5 N.
163pToon dit aan met figuur 2 en de relatie tussen arbeid en kinetische
energie.
John verwaarloost de zwaartekracht ten opzichte van de afzetkracht. Dus
hij gebruikt Fres = − Fafzet .
John constateert dat de resulterende kracht niet constant is tijdens de
afzet. Hij vraagt zich af of hij de springende larve kan modelleren als een
veer. Als de larve zich gedraagt als een gespannen veer die zich ontspant
tijdens de afzet, zou er moeten gelden dat de maximale resulterende
kracht Fres max twee keer zo groot is als de gemiddelde resulterende kracht
Fres gem . Hij vindt het model acceptabel als blijkt dat de verhouding van die
krachten tussen 1,5 en 2,5 uitkomt.
Figuur 2 staat nogmaals op de uitwerkbijlage.
175puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit:
− Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de maximale
versnelling tijdens de afzet. Laat in de figuur zien hoe je aan je
antwoord komt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
− Bereken Fres max tijdens de afzet.
− Toon aan dat de larve zich binnen de marge van John volgens het
model van een veer gedraagt.
Tot slot willen John en Imani het specifieke vermogen van een mens en
van een larve tijdens een verticale sprong vergelijken. Het specifieke
vermogen Pspec is het vermogen per kilogram lichaamsmassa. Voor een
gemiddelde mens geldt: Pspec = 3,3 W per kilogram lichaamsmassa.
De massa van de larve is 1,3 ⋅ 10−6 kg. Tijdens de afzet tot het loskomen
van de grond is de gemiddelde snelheid van de larve 0,14 ms−1 en is de
gemiddelde resulterende kracht Fres gem = 6,1·10−5 N.
184pBereken hoeveel keer zo groot Pspec van de larve is tijdens de afzet ten
opzichte van Pspec van een mens.
opgave 5Vervalst schilderij
Echte schilderijen kunnen veel waard zijn, in tegenstelling tot
vervalsingen. Kunstexperts maken daarom gebruik van speciale
technieken om de echtheid van schilderijen te onderzoeken. Zie figuur 1.
figuur 1
Bij een methode om nieuwere vervalsingen van oude originelen te
onderscheiden wordt de ouderdom van het gebruikte doek bepaald door
datering met C-14 .
Koolstof- 14 ontstaat hoog in de atmosfeer door een botsing tussen een
stikstofkern en een snel neutron dat afkomstig is van kosmische straling.
Bij deze botsing ontstaat instabiel C-14 en nog een ander deeltje. Op de
uitwerkbijlage staat een deel van deze reactie weergegeven.
193puitwerkbijlageMaak de vergelijking op de uitwerkbijlage af.
203pGeef de vergelijking van de vervalreactie van C-14 .
Een schilderij is geschilderd op doek van canvas. Dit materiaal wordt
gemaakt van hennepplanten. De atmosfeer bevat behalve C-14 vooral de
isotoop C-12 . Een levende hennepplant neemt beide soorten koolstof op
uit de lucht. De verhouding tussen C-12 en C-14 is in de levende plant
hetzelfde als in de lucht.
212pLeg uit hoe deze verhouding in de plant verandert na het afsterven van de
plant.
De relatieve hoeveelheid C-14 in de lucht was tot eind jaren 50 van de
vorige eeuw constant. Door nucleaire testen in de open lucht nam de
hoeveelheid C-14 ten opzichte van C-12 in korte tijd flink toe.
In figuur 2 is voor de periode van 1900 tot 2020 het verloop van de
relatieve hoeveelheid C-14 in de lucht aangegeven. De grootheid N langs
de verticale as is het aantal atomen C-14 per 1014 koolstofatomen.
figuur 2
Begin jaren 60 stopten de testen in de open lucht en nam de relatieve
hoeveelheid C-14 in de lucht weer af richting de oorspronkelijke waarde.
De waargenomen afname is niet te verklaren door het radioactieve verval
van C-14 .
222pLeg dat uit met behulp van de halveringstijd en figuur 2.
De daling vanaf de jaren 60 is te verklaren door biologische opname van
C-14 door planten. Ook die daling is te beschrijven met een halveringstijd.
233puitwerkbijlageBepaal deze halveringstijd met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage.
Laat in de figuur zien hoe je aan je antwoord komt.
Let op: de laatste vraag van dit examen staat op de volgende pagina.
Een museum heeft verschillende originele schilderijen van de
kunstschilder Fernand Léger. Deze zijn gemaakt vóór 1913. Eén schilderij
lijkt een vervalsing. Daarom wordt de ouderdom onderzocht met
koolstofdatering.
Uit een analyse blijkt dat de relatieve hoeveelheid C-14 in het canvas
doek 1,3 keer zo hoog is als het langdurige gemiddelde van voor de
nucleaire testen.
242pBepaal met behulp van figuur 2 het jaartal waarin het vervalste schilderij
gemaakt is.
Bronvermelding
Een opsomming van de in dit examen gebruikte bronnen, zoals teksten en afbeeldingen, is te vinden in het bij dit examen
behorende correctievoorschrift.