opgave 1Muzikale schelp
Wetenschappers hebben een schelp gevonden van 18 duizend jaar oud
die vermoedelijk als blaasinstrument is gebruikt. Zie figuur 1.
figuur 1
Een ervaren muzikant slaagde erin om diverse tonen op de schelp te
spelen. Van een van die tonen is een oscillogram gemaakt. Zie figuur 2.
figuur 2
13pBepaal met behulp van figuur 2 de laagste frequentie van deze toon.
Noteer je antwoord in drie significante cijfers.
Tijdens het spelen ontstaan staande golven in de schelp. De schelp kan
voor de grondtoon worden opgevat als een (spiraalvormige) luchtkolom
met twee buiken B bij de open uiteinden en een knoop K in het midden.
Zie figuur 3.
figuur 3
De grondtoon van de schelp heeft een frequentie van 2,8·102 Hz .
De omgevingstemperatuur is 20 °C .
23pBereken de lengte van de luchtkolom.
De muzikant maakt de opening aan het uiteinde van de schelp dicht en
hoort een andere grondtoon.
33pLeg uit met behulp van een schets met knopen (K) en buiken (B) of deze
grondtoon hoger of lager is.
opgave 2Veilig ontsnappen
Als er brand uitbreekt in een windmolen tijdens het onderhoud, moeten
monteurs de windmolen zo snel mogelijk kunnen verlaten.
figuur 1
Daarom zijn er twee belangrijke ontwerpeisen:
I. De windmolen moet via de buitenkant verlaten kunnen worden.
II. Het landen op de grond moet met een veilige vertraging gebeuren.
Basejumpen is een manier om te ontsnappen. Basejumpen is
parachutespringen van lage hoogte, zoals van een gebouw. Na een korte
vrije val opent de parachute. In figuur 2 zijn vier diagrammen
weergegeven waarin de afgelegde afstand s is uitgezet tegen de tijd t .
figuur 2
41pWelk diagram komt het best overeen met het ( s,t )-diagram van een
basejump?
Tijdens een test van een basejump is een ( v,t )-grafiek gemaakt van
afsprong tot landing. Zie figuur 3. De test was van een hoogte van 36 m .
figuur 3
Figuur 3 staat ook op de uitwerkbijlage. Een menselijk lichaam kan veilig
blootgesteld worden aan een versnelling van maximaal 60 m s─2 direct na
het openen van de parachute.
53pToon met een bepaling aan of de maximale versnelling direct na het
openen van de parachute aan deze veiligheidseis voldoet. Laat in de
figuur zien hoe je aan je antwoord komt.
Een basejump kan gevaarlijk zijn. Daarom is er ook een systeem
ontwikkeld om met een constante snelheid af te dalen aan een staalkabel.
Om deze snelheid constant te houden, wordt er continu geremd door een
remsysteem met een remschijf. Dit remsysteem is boven in de windmolen
bevestigd. Zie figuur 4.
figuur 4
Aan het remsysteem is een aantal aanvullende ontwerpeisen gesteld:
III. Er moet 280 kg (twee monteurs met uitrusting samen) aan één
kabel kunnen afdalen.
IV Tijdens gebruik mag de temperatuur van de remschijf door
wrijvingswarmte maximaal 600 °C worden bij een
omgevingstemperatuur van 50 °C .
V. Het systeem kan gebruikt worden tot 150 m hoogte.
Het systeem gebruikt een remschijf die tijdens de afdaling wrijving
ondervindt en opwarmt. De remschijf mag tijdens gebruik niet oververhit
raken, want dan verliest hij zijn werking. De remschijf is gemaakt van
ijzer. Tijdens de afdaling wordt 85% van de wrijvingswarmte opgenomen
door de remschijf.
65pBereken de minimale massa van de remschijf. Noteer je antwoord in het
juiste aantal significante cijfers.
Bij een veilige landing mag de vertraging niet groter zijn dan 10 m s–2 .
Een monteur met gereedschap heeft een massa van 140 kg . Tijdens de
landing wordt deze massa over een afstand van 20 cm afgeremd doordat
de monteur de knieën buigt.
74pVoer de volgende opdrachten uit:
− Bereken de maximale resulterende kracht tijdens een veilige landing.
− Bereken met de wet van arbeid en kinetische energie de maximale
snelheid waarmee het systeem de monteur veilig kan laten landen.
opgave 3Uraniumkubus
In 2013 werd een kubus van uranium met een mysterieus briefje
afgeleverd bij de Universiteit van Maryland. Zie figuren 1 en 2. Op het
briefje stond ‘Afkomstig uit een kernreactor die Hitler probeerde te
bouwen.’
De universiteit kreeg meer identieke blokjes. Om te achterhalen of de
stelling op het briefje waar was, zijn onderzoekers later verschillende
metingen gaan uitvoeren.
De onderzoekers wilden nagaan:
− of het blokje uit puur uranium (uraan) bestaat.
− of er in dit blokje kernsplijting heeft plaatsgevonden.
− of dit blokje uranium rond 1945 geproduceerd kan zijn.
De massa van de massieve kubus is 2,27 kg en de zijden hebben een
lengte van 5,08 cm .
83pGa met een berekening na of de kubus uit puur uranium (uraan) bestaat.
Als uranium in een kernreactor gebruikt wordt, vindt een proces genaamd
kernsplijting plaats. Bij deze kernsplijting ontstaat onder andere het
radioactieve Cs-137 . De onderzoekers willen dus weten of er Cs- 137 in de
kubus aanwezig is.
Als Cs-137 vervalt, komt daarbij ook gammastraling vrij.
93pGeef de volledige vergelijking van de vervalreactie van Cs-137 .
De gammafotonen die vrijkomen bij verval van Cs-137 hebben een
golflengte van 1,875 ⋅ 10−12 m .
Om te bepalen of er Cs-137 in de kubus aanwezig is, hebben de
onderzoekers gemeten hoeveel gammafotonen de kubus uitzendt bij
verschillende foton-energieën. Het resultaat hiervan staat in figuur 3.
figuur 3
Hun conclusie na het bestuderen van figuur 3 was dat er geen Cs-137
aanwezig is in de kubus.
103pToon dat aan met een berekening en figuur 3.
De afwezigheid van Cs-137 in de kubus heeft twee mogelijke
verklaringen:
I Alle Cs-137- atomen zijn vervallen sinds de mogelijke productie in 1945.
II De kubus is niet gebruikt voor kernsplijting.
112pLeg uit waarom verklaring I niet kan kloppen.
Omdat er van nature een kleine hoeveelheid U-234 aanwezig is in
uranium, konden de onderzoekers dit gebruiken om de leeftijd van de
kubus te bepalen. Dat deden ze door het verloop van de hoeveelheid
U-234 en het vervalproduct Th-230 sinds de productie van het
uraniumblokje te modelleren. Het model gaat ervan uit dat Th-230 alleen
afkomstig is vanuit het verval van U-234 . In figuur 4 is het resultaat te
zien. Op de verticale as staat de verhouding tussen het aantal kernen van
Th-230 en van U-234 . Op de horizontale as staat de tijd sinds de
productie van het uraniumblokje.
figuur 4
Voor het model zijn de onderzoekers uitgegaan van de volgende
aannames:
1 U-234 is instabiel.
2 Bij de productie van het blokje was de hoeveelheid Th-230
verwaarloosbaar.
3 De halveringstijd van Th-230 is kleiner dan die van U-234 .
Op de uitwerkbijlage staat een tabel met enkele waarnemingen over de
grafiek in figuur 4.
Bij elke waarneming hoort een van de aannames (1, 2 of 3).
121puitwerkbijlageVul in de tabel op de uitwerkbijlage bij iedere waarneming het nummer in
van de aanname die erbij past.
Om te bepalen of de uraniumkubus in 1945 is geproduceerd, werd
ingezoomd op de eerste honderd jaar in het diagram. Zie figuur 5.
figuur 5
Om de vraag te beantwoorden of het blokje uit 1945 dateert, hebben de
onderzoekers in 2020 de hoeveelheid Th-230- atomen bepaald. Hierbij
gingen ze uit van de volgende gegevens:
− 0,0055% van de massa van het blokje bestaat uit
U-234 -atomen.
− Het aantal U-234 -atomen in het blokje blijft gedurende de eerste
100 jaar bij benadering gelijk.
Het blokje heeft een massa van 2,27 kg.
135pBepaal het aantal Th-230- atomen dat de onderzoekers volgens het model
zouden meten als de kubus echt in 1945 is geproduceerd. Noteer je
antwoord in twee significante cijfers.
opgave 4Verwarmde inlegzolen
Verwarmde inlegzolen zijn elektrisch verwarmde zolen die bij koud weer
in wandelschoenen gebruikt worden tegen koude voeten. Zie figuur 1. In
de figuur zijn vier plekken aangegeven met I , II , III en IV .
figuur 1
In figuren 2 en 3 is het temperatuurverloop gegeven van de binnenkant
van de voet tot buiten de schoenzool. In figuur 2 is het elektrisch
verwarmingselement uitgeschakeld. Als de inlegzool ingeschakeld is,
wordt na verloop van tijd een nieuw evenwicht bereikt. Zie figuur 3. Alle
warmte die de inlegzool produceert, verdwijnt dan door geleiding via de
zool naar buiten.
De plekken I , II , III en IV staan op de horizontale as aangegeven. Het
materiaal van de inlegzool en schoenzool is in beide situaties hetzelfde.
Op de uitwerkbijlage staan vier uitspraken waarin de situatie met
uitgeschakelde inlegzool vergeleken wordt met de situatie met
ingeschakelde inlegzool.
143pGeef per uitspraak met een kruisje aan of deze juist of onjuist is.
Maryam maakt zelf verwarmde inlegzolen. Ze wil dat de binnenkant van
de schoenzool minimaal 30 ° C is als het onder de schoenzool − 5 ° C is.
Een wandelschoenzool is gemaakt van rubber en heeft een dikte van
1,8 cm. Maryam heeft een schatting gemaakt van de oppervlakte van de
inlegzool. Ze heeft hiermee berekend dat het vermogen per inlegzool 5 W
moet zijn.
155pVoer de volgende opdrachten uit:
− Bereken de oppervlakte van de inlegzool die Maryam geschat heeft.
− Leg uit of Maryam een realistische waarde geschat heeft.
Maryam gebruikt carbontape als elektrische weerstand. Deze tape zet
elektrische energie om in warmte. Het materiaal waar de tape van
gemaakt is, heeft een soortelijke weerstand van 1,65 ⋅ 10−4 Ω m. Ze heeft
de keuze tussen tape van 15 mm breed en tape van 32 mm breed. De
tape is 0,6 mm dik. Ze wil voor haar ontwerp dat een stuk tape van 30 cm
een weerstand van 5,5 Ω heeft.
163pToon met een berekening aan of Maryam voor de smalle of de brede tape
moet kiezen.
Maryam gebruikt twee dezelfde stukken tape om een schakeling te maken
voor een schoenzool. Ze kan deze twee stukken draad op twee
verschillende manieren aansluiten op de batterij. Zie figuur 4.
figuur 4
Op de uitwerkbijlage staan zinnen over deze schakelingen.
173pOmcirkel in iedere zin het juiste antwoord.
Per zool gebruikt ze een batterij van 3,7 V met een capaciteit van 3,4 Ah .
Het vermogen van een inlegzool is 5,0 W . Maryam wil dat de inlegzool
minstens 2,0 uur te gebruiken is met deze batterij.
183pToon met een berekening aan of de batterij voldoende capaciteit heeft.
opgave 5Vloeibare telescoop
Met een telescoop kan elektromagnetische straling uit het heelal worden
bestudeerd. Om geen last van absorptie van de atmosfeer te hebben, had
de NASA ooit het plan om een telescoop op de maan te bouwen.
De telescoop zou bestaan uit een grote bak vloeistof die ronddraait.
Hierdoor ontstaat een hol vloeistofoppervlak dat in een telescoop als
spiegel gebruikt kan worden. In figuur 1 staat een zijaanzicht van de bak
wanneer die stil staat. In figuur 2 staat een zijaanzicht van de bak
wanneer die draait.
De NASA heeft deze telescoop nooit gebouwd, maar studenten doen er
wel onderzoek naar.
De studenten experimenteren met een draaiende waterbak. Zie figuur 3
en het bovenaanzicht in figuur 4. Deze doorzichtige waterbak is heel smal
en laat zo een dwarsdoorsnede van de vloeistof zien. Op de waterbak zijn
twee punten I en II gemarkeerd. Punt II zit twee keer zo ver van de
draaias als punt I .
192puitwerkbijlageOmcirkel op de uitwerkbijlage in iedere tabel het juiste antwoord.
De studenten onderzoeken het verband tussen de baansnelheid v (zie
figuur 4) en de hoek α die het water maakt met de horizontaal tijdens het
draaien. Ze kijken daarbij naar het wateroppervlak in punt I en ze variëren
de omlooptijd T van de bak. Ze meten de waarde van hoek α bij
verschillende T . Zie figuur 5. Punt I staat hierin aangegeven.
figuur 5
In figuur 6 staan alle resultaten van de studenten.
figuur 6
Punt I bevindt zich op 6,0 cm afstand van de draai-as. Figuren 5 en 6 staan
ook op de uitwerkbijlage.
204puitwerkbijlageBepaal met behulp van de figuren op de uitwerkbijlage bij welke
baansnelheid v figuur 5 is gemaakt. Noteer je antwoord in twee
significante cijfers.
In het NASA-plan lezen de studenten over het volgende verband tussen
hoek α en de baansnelheid v :
Hierin is:
− v de baansnelheid van de vloeistof in een deel van de spiegel
(in ms−1 );
− r de baanstraal van het punt op de spiegel (in m );
− g de valversnelling (in ms−2 ).
Om op de maan dezelfde spiegel te maken als op de aarde is een andere
baansnelheid nodig voor punt I op de spiegel.
Bob denkt dat er op de maan een kleinere baansnelheid nodig is.
Roel denkt dat er op de maan juist een grotere baansnelheid nodig is.
212pLeg uit met behulp van formule (1) wie er gelijk heeft.
Ga verder op de volgende pagina.
opgave 6Beugel
Met een beugel kan de stand van tanden aangepast worden. Langs de
tanden wordt een draad gespannen die via een slotje tegen de tanden
drukt. Zie figuur 1.
figuur 1
Op de uitwerkbijlage is een kaak met een beugel schematisch
weergegeven.
De spankracht Fspan in de draad zorgt voor een kracht Ftand op tand P.
Hierdoor beweegt tand P langzaam in de richting van Ftand . Hoek α wordt
dan kleiner. Tijdens het verplaatsen van tand P wordt Fspan in de draad
gelijk gehouden door de draad steeds iets verder in te korten.
Op het moment dat de beugel geplaatst wordt is Ftand = 13 N.
225puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit:
− Bepaal de grootte van de spankracht Fspan met behulp van een
constructie op de uitwerkbijlage. Noteer je antwoord in twee
significante cijfers.
− Geef aan of kracht Ftand op de tand groter wordt, kleiner wordt of gelijk
blijft als de tand naar binnen beweegt.
Een beugel wordt ook gebruikt om de stand van de kaak aan te passen.
Om ervoor te zorgen dat de boven- en onderkaak goed op elkaar
aansluiten, worden de boven- en onderkaak door elastiekjes met elkaar
verbonden. Zie figuur 2.
figuur 2
Door een elastiekje wordt een kracht F elastiek uitgeoefend op de onderkaak.
Op de uitwerkbijlage is deze kracht getekend. Het elastiekje zorgt voor
een moment zodat de kaak na verloop van tijd een stukje om draaipunt D
gaat draaien.
Na het aanbrengen van het elastiekje oefent het een moment uit. De kaak
oefent een tegengesteld moment uit van 37 ⋅ 10−3 Nm. Er is
momentenevenwicht. Er kan uit verschillende elastiekjes worden gekozen.
In de tabel in figuur 3 is voor vier elastiekjes de spankracht gegeven die
ze op de kaak kunnen uitoefenen.
figuur 3
| elastiekje | F (N) |
| 1 | 0,8 |
| 2 | 1,2 |
| 3 | 1,4 |
| 4 | 1,8 |
Figuur 2 staat op ware grootte op de uitwerkbijlage.
233puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit:
− Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de arm van kracht F elastiek .
− Bepaal met behulp van de figuur 3 welk elastiekje gebruikt moet
worden.
Let op: de laatste vraag van dit examen staat op de volgende pagina.
Bij een bepaalde beugel worden op twee plekken elastiekjes geplaatst: één
bij de voortanden en één bij de kiezen. Er kan gekozen worden uit
verschillende elastiekjes. In figuur 4 staat het ( F , u )-diagram van drie
verschillende elastiekjes.
figuur 4
Elastiekje II wordt bij de voortanden gebruikt. Een ander elastiekje komt
bij de kiezen achter in de mond. Zie figuur 5.
figuur 5
Beide elastiekjes moeten dezelfde kracht uitoefenen als de mond wordt
geopend.
243puitwerkbijlageOmcirkel op de uitwerkbijlage in iedere zin het juiste antwoord.
Bronvermelding
Een opsomming van de in dit examen gebruikte bronnen, zoals teksten en afbeeldingen, is te vinden in het bij dit examen
behorende correctievoorschrift.