opgave 1Weerstand
Carl bepaalt de weerstand van een draad door bij verschillende spanningen over die
draad de stroomsterkte te meten.
Hij tekent op grond van zijn metingen de grafiek uit figuur 1.
figuur 1 I
12pHoe groot is de weerstand van de draad?
A 0,027 Ω
B 0,38 Ω
C 5,3 Ω
D 14 Ω
E 37 Ω
opgave 2De passpiegel
Karin wil een nieuwe passpiegel kopen.Als Karin voor een spiegel staat die ze wel leuk
vindt, vraagt ze zich af hoe lang die spiegel moet zijn om zichzelf daarin geheel te kunnen
zien.
23pTeken in de figuur op de bijlage, het gedeelte van de spiegel waarin Karin zichzelf geheel
kan zien. Geef dat gebied duidelijk aan.
opgave 3De gloeispiraal
Tijdens een practicum krijgen Anne en Rishma de opdracht om met behulp van een lens
de lengte van de gloeispiraal in een lamp te bepalen. Ze kunnen immers de lengte van die
spiraal niet met een liniaal meten, omdat ze die er niet langs kunnen leggen.
Anne zet de gloeispiraal 12 cm voor de lens. Rishma schuift net zolang met het scherm,
totdat er een scherp beeld ontstaat. Het scherm staat dan 24 cm achter de lens.
Anne en Rishma meten de lengte van het beeld van de gloeispiraal op. Die blijkt 4,4 cm
te zijn.
32pHoe groot is de lengte van de gloeispiraal?
A 2,0 cm
B 2,2 cm
C 4,4 cm
D 8,8 cm
Anne en Rishma kunnen een indruk krijgen van de brandpuntsafstand van de lens zonder
die uit te rekenen.
42pVergelijk de brandpuntsafstand f met de afstand van de gloeispiraal tot de lens (12 cm).
A f is kleiner dan 12 cm.
B f = 12 cm.
C f is groter dan 12 cm.
opgave 4Tandwielen
In een bepaald landbouwwerktuig zit een tandwieloverbrenging. Deze overbrenging staat
in verbinding met de tractor.Tandwiel P draait rechtsom. Zie figuur 2.
52pHoe zijn de draairichtingen van de tandwielen R en S?
tandwiel R tandwiel S
A linksom linksom
B linksom rechtsom
C rechtsom linksom
D rechtsom rechtsom
Tandwiel Q heeft 80 tanden en maakt 72 omwentelingen per minuut.
Tandwiel R heeft 20 tanden.
62pHoe groot is het toerental van tandwiel R?
A 0,90 omw/min
B 3,6 omw/min
C 4,0 omw/min
D 18 omw/min
E 2,9·102 omw/min
F 16·102 omw/min
opgave 5Het lichtkastje
Tijdens een practicumles schakelt Thijs de lamp van een lichtkastje in. Er zit een bolle
lens in het kastje. Hij ziet dat de lichtbundel die uit het kastje komt niet evenwijdig is.
Zie figuur 3.
72pWat voor soort lichtbundel komt er uit het kastje?
A een convergente bundel
B een diffuse bundel
C een divergente bundel
Thijs wil dat er een evenwijdige bundel uit het lichtkastje komt. Door middel van de
stelschroef kan hij de lamp verschuiven.
82pLeg uit of Thijs de lamp naar de lens toe of van de lens af moet verschuiven.
Als Thijs de lamp goed heeft ingesteld, laat hij de evenwijdige bundel door een blok glas
gaan.
In figuur 4 zijn vier tekeningen gegeven.
92pIn welke van de tekeningen is de lichtbundel door het blok glas juist getekend?
A in tekening A
B in tekening B
C in tekening C
D in tekening D
opgave 6Aantrekking
Bij een practicumproef wordt de geladen staaf Q bij staaf P gebracht, die vrij draaibaar is
opgehangen. Zie figuur 5.
Staaf P draait naar Q toe.
Over staaf P worden door Jan en Piet twee uitspraken gedaan.
1 Jan zegt: P is geladen.
2 Piet zegt: P is ongeladen.
102pWie kan er gelijk hebben?
A alleen Jan
B alleen Piet
C Zowel Jan als Piet kunnen gelijk hebben.
opgave 7Practicum
Frits heeft voor een practicumproef 100 g alcohol nodig.
Hij heeft alleen een maatcilinder want de weegschaal is stuk.
112pHoeveel cm3 alcohol moet hij afmeten?
A 0,80 cm3
B 1,0·102 cm3
C 1,3·102 cm3
D 1,8·102 cm3
E 0,80·103 cm3
opgave 8Mist
Tijdens een heldere nacht en windstil weer koelt de aarde sterk af.
122pWelke manier van warmtetransport zorgt dan vooral voor de afkoeling van de aarde?
A geleiding
B straling
C stroming
Als de lucht vochtig is kan er in die nacht mist ontstaan. Mist bestaat uit kleine
waterdruppeltjes die in de lucht zweven.Als de lucht droog is ontstaat geen mist.
Vergelijk de situaties met en zonder mist.
132pHeeft de vorming van mist invloed op de laagste temperatuur die tijdens de nacht bereikt
wordt?
A Ja, de temperatuur wordt lager, want voor de vorming van mist is warmte nodig.
B Ja, de temperatuur wordt minder laag, want bij de vorming van mist komt warmte vrij.
C Nee, mistvorming heeft geen invloed op de laagste temperatuur van de lucht.
Stoom uit de pijp van een elektriciteitscentrale bestaat ook uit kleine waterdruppeltjes.
Deze stoom stijgt op, terwijl mist niet opstijgt.
141pWaarom stijgt deze stoom bij een elektriciteitscentrale op?
opgave 9Magneet
Tijdens een practicumles heeft Thijs een staafmagneet en een stukje ijzer. Hij wil
onderzoeken op welke plaatsen het ijzer wordt aangetrokken door de magneet. Daarom
houdt hij het stukje ijzer achtereenvolgens op de plaatsen 1, 2 en 3 bij de magneet. Zie
figuur 6.
figuur 6 N staafmagneet Z
1 2 3
ij ij ij
z z z
e e e
r r r
152pOp welk(e) plaats(en) wordt het ijzer aangetrokken door de magneet?
A alleen op plaats 1
B alleen op plaats 2
C alleen op plaats 3
D alleen op de plaatsen 1 en 3
E op alle drie plaatsen
opgave 10Een schommel
Nienke schommelt. Zie figuur 7.
Het zitplankje en Nienke ondervinden samen een zwaartekracht van 300 N. Op de bijlage
is de situatie schematisch weergegeven. Ook de resulterende kracht is hierin aangegeven.
De tekening is op schaal.
163pBepaal in de figuur op de bijlage door middel van een constructie de grootte van de
spankracht in het touw.Vul je antwoord in onder deze figuur.
Nienke komt maximaal 1,25 m boven het laagste punt van de schommel.
Verwaarloos de wrijving.
174pBereken de snelheid van Nienke in het laagste punt.
opgave 11Groene stroom
Energiebedrijven proberen maatregelen te nemen om zo milieuvriendelijk mogelijk
energie te leveren. Hieronder zie je een advertentie van de PNEM (het vroegere
energiebedrijf in Noord-Brabant) waarin groene stroom werd aangeboden. In deze
advertentie zijn met opzet drie woorden weggelaten.
183pNoem drie energiebronnen die op de open plaatsen kunnen worden ingevuld.
192pWaarom draagt de productie van „gewone” stroom bij aan de toename van koolstofdioxide
(CO2 ) in de atmosfeer?
Een gloeilamp is aangesloten op groene stroom.
202pWelke deeltjes stromen dan door de gloeilamp?
A alleen elektronen
B alleen protonen
C neutronen
D ionen
E elektronen en protonen
F Groene stroom bestaat uit andere deeltjes dan „gewone” stroom.
In de advertentie is te lezen dat „groene” stroom duurder is. Deze stroom wordt via
hetzelfde lichtnet geleverd als de „gewone” stroom.
Petra trekt hieruit de conclusie dat het aanbieden van groene stroom dus gewoon een
prijsverhoging is voor hetzelfde product.
212pLeg uit of je de conclusie van Petra juist vindt.
opgave 12Een ijzergieterij
In een ijzergieterij staan elektrische smeltovens. Het vermogen van zo’n smeltoven
bedraagt 3,0 MW. In een oven zit 6,0·103 kg ijzer. In deze oven wordt het ijzer eerst van
20 °C tot het smeltpunt verhit.
Verwaarloos bij de berekening alle warmteverliezen.
224pBereken de tijd die nodig is om dit ijzer tot het smeltpunt te verhitten.
Hierna moet het ijzer dus nog gesmolten worden.
231pIs hiervoor ook energie nodig?
Voor het transport van het ijzererts maakt men gebruik van een elektromagneet.
242pLeg uit hoe men met behulp van een elektromagneet het ijzererts kan verplaatsen.
opgave 13Een autolamp
Op een lamp van het achterlicht van een auto staat: 12V 5/21 W. Er zitten twee gloeidraden
in. Zie figuur 8.
De ene draad heeft een vermogen van 5 W en is de verlichting van de auto. De andere
draad heeft een vermogen van 21 W en brandt alleen als de auto remt.
253pBereken de weerstand van de gloeidraad van 21 W.
De beide gloeidraden zijn van hetzelfde materiaal gemaakt.
Neem aan dat de draden even dik zijn, maar dat draad 2 de langste is.
262pLeg uit welke draad in figuur 8 de draad is met een vermogen van 21 W.
In het circuit zitten twee schakelaars om de gloeidraden te kunnen inschakelen: een
schakelaar voor de verlichting en een schakelaar die gesloten wordt bij het remmen.
In figuur 9 zijn vier schakelingen met de schakelaars getekend.
272pWelke schakeling is juist?
A schakeling A
B schakeling B
C schakeling C
D schakeling D
E Geen van de schakelingen is juist.
opgave 14Ademen
Door het groter worden van de borstkas stroomt er lucht naar binnen tijdens het inademen.
282pWat voor druk heerst er tijdens het inademen in de longen?
A De druk is 0, want het is luchtledig.
B de druk van de buitenlucht
C onderdruk
D overdruk
In figuur 10 is weergegeven hoeveel lucht er bij het ademen in de longen van Peter zit.
292pHoe vaak ademt Peter in en uit per minuut?
A 5 keer
B 6 keer
C 10 keer
D 12 keer
E 13 keer
F 15 keer
De dichtheid van lucht is 1,3 gram/liter. Met behulp van figuur 10 is de massa van de lucht
die door Peter wordt uitgeademd uit te rekenen.
303pBereken de massa van de lucht die Peter per keer uitademt.
opgave 15Een bliksemstraal
Jos leest de volgende tekst:
In een onweersbui kan een zeer groot spanningsverschil ontstaan. Dit bedraagt zo’n
6 megavolt.Wanneer de bliksem inslaat, loopt er zeer korte tijd een stroom van ongeveer
30 kiloampère.Toch valt de energie-inhoud van één bliksemstraal tegen. Die bedraagt
maar 2,5 kWh (= 9·106 J).
314pBereken hoe lang een bliksemstraal ongeveer duurt.
Op 680 meter van Thea slaat deze bliksem in. Zie figuur 11.
Door de grote snelheid van de bliksemflits zelf mag je de tijdsduur hiervan verwaarlozen.
Thea hoort eerst een harde klap en daarna neemt het geluid in sterkte af. Dit komt omdat
het geluid van plaats A Thea het eerste bereikt en vanaf plaats B het laatst.
323pBereken hoe lang ze het geluid van deze bliksemflits hoort.
opgave 16Het vliegtuigje
Je kunt een modelvliegtuigje wegschieten met een gespannen elastiek.
Zie figuur 12.
De spankracht in elk deel van het elastiek is 20 N. Deze spankracht is aangegeven in
figuur 12.
332pHoe groot is de kracht waarmee het vliegtuigje wordt weggeschoten?
A 20 N
B tussen 20 N en 40 N
C 40 N
opgave 17Koude start
Auto’s met een koude motor starten moeilijker dan auto’s met een warme motor. Om de
koude start van een auto te verbeteren, experimenteren de fabrikanten met het opslaan
van warmte. De afgegeven warmte tijdens de rit wordt voor een deel opgeslagen in
zogenaamd glauberzout. Bij het starten na langere tijd stilstaan is de motor daardoor
minder koud.
We bekijken een hoeveelheid van 10 kg glauberzout dat afkoelt van 80 °C tot het begint
te stollen. Enkele gegevens over glauberzout staan in tabel 1.
tabel 1 Glauberzout: Smeltpunt, stolpunt: 32 °C
Soortelijke warmte vaste stof: 0,6 kJ/kg·K
Soortelijke warmte vloeistof: 1,2 kJ/kg·K
343pBereken de hoeveelheid warmte die het glauberzout afgeeft tot het gaat stollen.
Tijdens een koude nacht in Scandinavië koelt het glauberzout af van 80 °C tot –30 °C.
In figuur 13 is de temperatuur van het glauberzout uitgezet tegen de afgegeven warmte.
De grafiek bestaat uit drie delen: het afkoelen van de vloeistof, het stollen en het afkoelen
van de vaste stof.
352pBij welk van deze processen wordt de meeste warmte afgegeven?
A De meeste warmte wordt afgegeven tijdens de afkoeling van de vloeistof.
B De meeste warmte wordt afgegeven tijdens het stollen.
C De meeste warmte wordt afgegeven tijdens het afkoelen van de vaste stof.
362pLeg uit of dit gebruik van glauberzout een bijdrage is aan energiebesparing.
opgave 18Fietsen
Hassan wil een ( v,t )-diagram maken als hij een stukje fietst in de gang van de school.
De fiets van Hassan is aan een computer gekoppeld.Als hij een eindje fietst, verschijnt op
het scherm de grafiek uit figuur 14.
371pWat is de betekenis van het horizontale stukje tussen 0 en 0,8 s?
382pWat gebeurt er direct na t = 2 s?
A Hassan fietst een stukje terug en gaat daarna weer verder.
B Hassan gaat even wat langzamer.
C Hassan staat heel even stil, maar fietst daarna weer verder.
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.
opgave 19In het ziekenhuis
Cor ligt voor onderzoek in het ziekenhuis. Bij dit onderzoek gebruikt men een bepaalde
radioactieve isotoop. De isotoop die in het lichaam van Cor wordt gebracht, heeft een
halveringstijd van 6,0 uur.
Daarna mag Cor gedurende 24 uur geen bezoek ontvangen in verband met stralingsgevaar
voor de omgeving.
392pHoeveel % van de oorspronkelijke hoeveelheid van de radioactieve isotoop is na 24 uur
nog in het lichaam van Cor aanwezig?
A 4,2%
B 6,3%
C 12,5%
D 25 %
E 50 %
F 93,8%
opgave 20Een deeltje
De tekening van figuur 15 is een schematische voorstelling van een deeltje.
Alle protonen, neutronen en elektronen zijn aangegeven.
402pWat voor soort deeltje is hier getekend?
A een atoom
B een negatief ion
Einde C een positief ion