opgave 2artikel Element 112 ontdekt
DARMSTADT – Een internationaal zink-atomen in een lineaire versneller
team onder leiding van Peter te versnellen en vervolgens op
Armbruster heeft het element 112 uit loodatomen te laten botsen.
het periodiek systeem ontdekt. Het Nadat het nieuwe element ontstaan is,
isotoop heeft een massagetal van 277 vervalt het weer zeer snel tot een
en kon na drie weken experimenteren isotoop van het element 110, dat
worden aangetoond. vervolgens weer verder vervalt tot
Het werd gemaakt door geïoniseerde een isotoop van het element 108.
naar:Technisch Weekblad, 7 november 1997
De leider van het onderzoeksteam zal nog moeten afwachten of het nieuw ontdekte
element naar hem genoemd zal worden.We zullen het nieuwe element voorlopig toch
armbrusterium noemen en aanduiden met Ab.
Het nieuwe element kan gemaakt worden met behulp van in de natuur voorkomende
isotopen van lood en zink. Daarbij ontstaan naast het nieuwe element geen andere
reactieproducten.
13pGeef de vergelijking voor deze reactie.
Het nieuwe element is radioactief.
22pWelk soort verval vertoont het nieuwe element? Licht je antwoord toe met behulp van
gegevens uit het artikel.
In tabel 25 van het informatieboek BINAS kan men zien dat voor elementen met een
atoomnummer vanaf 85 het verschil tussen de atoommassa en het massagetal steeds
groter wordt. De onderzoekers uit Darmstadt veronderstellen dat deze trend zich voortzet
voor nog zwaardere elementen dan die vermeld zijn in het informatieboek BINAS.
35pMaak op grond van deze veronderstelling een schatting van de atoommassa van het
nieuw ontdekte isotoop. Geef de uitkomst in vijf significante cijfers. Maak daartoe eerst
op de bijlage een grafiek waarin je het verschil tussen de atoommassa en het massagetal
uitzet tegen het atoomnummer Z . Kies hiervoor van vijf elementen met een
atoomnummer groter dan 85 telkens het lichtste isotoop.
opgave 3Opgave 2 Hoogspanningskabel
Tussen Rotterdam en Ommoord ligt een ondergrondse hoogspanningskabel, die een
elektrisch vermogen moet kunnen afleveren van maximaal 400 MW bij een spanning van
150 kV. De kabel bestaat uit een bundel koperdraden.
De kabel heeft een weerstand van 7,2 ⋅ 10 -2 Ω .
43pLeg uit waarom men voor het transport van elektrische energie de spanning omhoog
transformeert.
54pBereken het vermogen dat door warmteontwikkeling in de kabel verloren gaat als de
gebruikers het maximale elektrische vermogen afnemen.
Er zouden buisjes tussen de koperdraden kunnen worden aangebracht om de overtollige
warmte in de kabel af te voeren. Door deze buisjes wordt dan water gepompt.
62pNoem de vormen van warmtetransport die dan plaatsvinden en geef bij elke vorm een
toelichting.
opgave 4Opgave 3 Glasvezel
De KEMA heeft een meetsysteem ontwikkeld om de temperatuur in ondergrondse
hoogspanningskabels te meten. Daartoe bevindt zich over de hele lengte een glasvezel
midden in de kabel. Door de glasvezel laat men zeer korte pulsen infrarode straling lopen.
Deze straling is afkomstig van een laser en heeft een frequentie f = 2,855 ⋅ 1014 Hz.
Bij een puls met een tijdsduur van 10 ns zendt de laser 1,3 ⋅ 1010 fotonen uit.
74pBereken het stralingsvermogen van de laser tijdens het uitzenden van een puls.
Voorkomen moet worden dat er een te sterke knik optreedt in de glasvezel. In figuur 1 is
een knik over hoek α in een vezel getekend. Daarin is ook een straal getekend die bij de
knik aankomt. Door de sterke knik verlaat deze straal de glasvezel bij A.
De brekingsindex van het glas is voor de infrarode straling gelijk aan 1,52.
Figuur 1 staat ook op de bijlage.
84pTeken in de figuur op de bijlage hoe de straal verder gaat na breking aan het grensvlak.
Vermeld de benodigde berekeningen op de aangegeven plaats op de bijlage.
Om geen onnodig verlies van intensiteit te krijgen, moet bij elke reflectie aan de rand van
de vezel volledige terugkaatsing optreden.
93pBereken hoe groot hoek α dan maximaal mag zijn als de straal vóór de knik evenwijdig
loopt aan de as van de glasvezel, zoals getekend is in figuur 1.
De infrarode straling wordt door de moleculen van de glasvezel op een bijzondere manier
verstrooid. In het spectrum van de verstrooide straling vindt men niet alleen straling met
de oorspronkelijke frequentie f , maar onder andere ook straling met een hogere
frequentie f + ∆ f en met een lagere frequentie f – ∆ f.
Dit is schematisch weergegeven in figuur 2.
Naar analogie met zichtbaar licht spreekt men van een ’rood-verschuiving’ en een
’blauw-verschuiving’.
102pLeg uit of de lijn met frequentie f – ∆ f bij de ’rood-verschuiving’ hoort of bij de
’blauw-verschuiving’.
De verstrooide straling wordt in een detector opgevangen. De frequentie wordt vergeleken
met de oorspronkelijke laserfrequentie ( f = 2,855 ⋅ 1014 Hz).
Het frequentieverschil ∆ f is een maat voor de temperatuur van de glasvezel op de plaats
waar het laserlicht is verstrooid.
Bij een temperatuur van 20 °C blijkt het frequentieverschil ∆ f gelijk te zijn aan 1,3 ⋅ 1012 Hz.
114pBereken de grootste golflengte (in vacuüm) van het laserlicht dat na verstrooiing in een
stukje glasvezel van 20 °C in de detector wordt opgevangen.
opgave 5Opgave 4 Oorthermometer
123pHet trommelvlies van het oor zendt net
als elk ander voorwerp warmtestraling uit.
De hoeveelheid energie die per seconde
wordt uitgezonden hangt af van de
temperatuur. Hierbij gedraagt het
trommelvlies zich als een ’zwart lichaam’.
Bij een gezond persoon schommelt de
temperatuur rond 36,7 °C.
Bereken de golflengte waarbij de intensiteit
van de straling bij 36,7 °C het grootst is.
De temperatuur van het trommelvlies is een
goede maatstaf voor de lichaams-
temperatuur. Met behulp van een
stralingsthermometer kan deze temperatuur
worden bepaald. Zie figuur 3.
De werking van dit type thermometer wordt aan de hand van figuur 4 geïllustreerd.
De van het trommelvlies afkomstige warmtestraling gaat via een glazen venster en een
koker met een spiegelende binnenwand naar een schijfje.Tussen de koker en het schijfje
bevindt zich een sluiter. Het schijfje maakt deel uit van een sensor.
Bij een meting wordt de sluiter korte tijd geopend om de straling door te laten.
De energie van de doorgelaten straling is een maat voor de temperatuur van het
trommelvlies.
De buitenkant van een gewone kwikthermometer kan wel eens verontreinigd zijn, zoals
dat ook bij het venster van deze oorthermometer kan voorkomen.
133pLeg uit bij welk type thermometer de nauwkeurigheid het minst wordt beïnvloed door
een verontreiniging.
De doorgelaten straling verwarmt de cirkelvormige voorkant van het schijfje.
Hierdoor komt een warmtestroom naar de achterkant van het schijfje op gang.
Het materiaal waarvan het schijfje gemaakt is, heeft pyro-elektrische eigenschappen.
Dit houdt in dat zich in de richting van de warmtestroom ook elektronen verplaatsen,
zodat er een elektrische spanning tussen de voorkant en de achterkant van het schijfje
ontstaat. Deze spanning is het uitgangssignaal van de sensor.
142pLeg uit waar de potentiaal van het schijfje het hoogste wordt: aan de voorkant of aan de
achterkant.
Het uitgangssignaal van de sensor wordt aan een AD-omzetter toegevoerd.
De temperatuur in het hele bereik tussen 30,0 °C en 45,0 °C kan met een nauwkeurigheid
van 0,1 °C worden weergegeven.
153pLaat zien dat deze AD-omzetter minimaal 8 binaire uitgangen moet hebben.
Bij een bepaalde meting bleek dat 0,90 s na het openen van de sluiter de gemiddelde
temperatuur van het schijfje 0,60 °C was toegenomen. Het schijfje is gemaakt van een
materiaal dat dezelfde thermische eigenschappen heeft als polyetheen.
De massa van het schijfje is 4,5 mg.
163pBereken het gemiddelde (netto) vermogen dat tijdens deze 0,90 s door het schijfje is
opgenomen.
opgave 6Opgave 5 Geluidsanalyse
Er bestaan computerprogramma’s om
een frequentie-analyse uit te voeren.
Maarten (een jongen) en Zohra (een
meisje) gaan met zo’n programma hun
stemmen vergelijken. Daartoe spreken zij
in de microfoon van een computer allebei
de klank ’aa’ van het woord ’plaat’ in.
Na verwerking van dit geluid maakt de
computer een diagram waarin alle
waargenomen frequenties van deze
’aa’-klank zijn weergegeven.
In figuur 5 zijn de diagrammen van
Maarten en Zohra naast elkaar gelegd.
De frequentie is langs de verticale as uitgezet.Van beide stemmen is de frequentie
aangegeven van de grondtoon ( f0 ) en de frequenties van de bijbehorende boventonen
( f1 , f2 , …). In de figuur is te zien dat de ’aa’-klank van Maarten uit negen verschillende
frequenties bestaat en die van Zohra uit vijf. Maarten en Zohra gaan ervan uit dat
stembanden trillen als snaren.
Ze trekken uit de meetresultaten in figuur 5 twee conclusies:
a stembanden trillen als snaren die aan twee kanten zijn ingeklemd;
b stembanden van jongens zijn langer dan die van meisjes.
174pWelke informatie uit figuur 5 ondersteunt conclusie a en welke ondersteunt conclusie b ?
Geef een toelichting.
Het geluid dat de kat van Zohra bij het spinnen maakt, wordt eveneens onderzocht.
Dat geluid ontstaat als de kat de spieren van het strottenhoofd in een vast ritme
samentrekt en ontspant. Maarten en Zohra vinden voor de grondtoon van het spingeluid
een frequentie van 26 Hz. Het geluidssterkteniveau van de grondtoon op 3,0 cm afstand
van het strottenhoofd van Zohra’s kat is 78 dB.
Het zwakste geluid dat een mens nog kan horen is sterk afhankelijk van de frequentie en
heeft voor een toon van 26 Hz een geluidssterkteniveau van 58 dB.
184pBereken tot op welke afstand van het strottenhoofd de grondtoon nog te horen is.
opgave 7Opgave 6 Zwemmers
Rinke doet aan wedstrijdzwemmen. Zijn persoonlijke record op de 200 m vrije slag is
2 minuten en 7,2 seconden. De gemiddelde kracht die hij tijdens zijn recordrace
ontwikkelde wordt geschat op 1,5·102 N.
194pBereken het gemiddelde vermogen dat hij tijdens zijn recordrace leverde.
Rinke en Hedwig willen onderzoeken hoe de snelheid van een zwemmer afhangt van zijn
lichaamsbouw. De lichaamsbouw beïnvloedt de wrijvingskracht in het water.Voor die
wrijvingskracht Fw geldt:
Fw = kAv2
Hierin is:
k een constante die voor alle zwemmers gelijk is;
A de oppervlakte van een dwarsdoorsnede van een zwemmer, loodrecht op de
bewegingsrichting van het lichaam;
v de snelheid.
Om het probleem te vereenvoudigen, gaan ze uit van twee zwemmers die dezelfde massa
hebben. Ze nemen aan dat bij zulke zwemmers de oppervlakte van de dwarsdoorsnede A
omgekeerd evenredig is met hun lengte l . Zie figuur 6.
Ze voorspellen dat een zwemmer met een lengte van 1,90 m die een even grote kracht
uitoefent als een zwemmer van 1,70 m een constante snelheid heeft die 6% groter is.
204pLeg met behulp van een berekening uit dat deze voorspelling juist is.
Zij besluiten de situatie in het
natuurkundelokaal na te bootsen. Een
langwerpige bak wordt als ’zwembad’
gebruikt. De twee zwemmers worden
vervangen door twee even zware blokken
B1 en B2 van dezelfde houtsoort. Het ene
blok is 170 mm lang, het andere 190 mm.
Aan blok B1 bevestigen ze een koord. Het koord is over een katrol gelegd.Aan het andere
uiteinde hangt een gewicht P met massa mP . Zie figuur 7.
Als ze het blok loslaten, gaan blok en gewicht P bewegen. Na korte tijd bereikt het blok
een constante eindsnelheid. Ze herhalen de proef voor blok B2 .
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.
De meetgegevens van ieder blok worden door een computer bewerkt tot een ( v,t )-diagram.
Deze diagrammen zijn in figuur 8 weergegeven.
Hedwig en Rinke veronderstellen dat de eindsnelheid van het lange blok 6% groter is
dan die van het korte blok.
213pLeg uit of hun metingen daarmee in overeenstemming zijn.
Ook bij de blokken geldt de eerder genoemde formule voor de wrijvingskracht: Fw = kAv2 .
De waarde van k is voor beide blokken gelijk. Hedwig en Rinke willen deze waarde
bepalen met behulp van hun meetopstelling en de meetresultaten.
224pLeg uit hoe ze de waarde voor k kunnen bepalen.
Voor de massa van de blokken B1 en B2 geldt: mB = 1,0 kg. Het aandrijvende gewicht P
heeft een massa mP = 4,0 kg. Het korte blok wordt tijdens de proef verplaatst over een
afstand van 99 cm. De zwaarte-energie Ez van gewicht P wordt tijdens die beweging voor
een deel omgezet in kinetische energie Ek en voor het andere deel in energie die door
wrijving verloren gaat.
235pBereken met behulp van een energiebeschouwing de gemiddelde wrijvingskracht die het
Einde korte blok tijdens de beweging ondervindt.