tjoefie

natuurkunde vwo 2002 · tijdvak 1 · natuurkunde 1,2

A4-weergave

opgave 1Opgave 1 Ralph en Norton

Lees het artikel.
artikel Met een onbemande raket werden eind juni
twee satellieten, Ralph en Norton, op 1000
kilometer hoogte in een baan om de aarde
gebracht. Ze zijn door een 4,0 kilometer
lange draad geleidend met elkaar
verbonden. In de toekomst hoopt men
elektriciteit op te wekken door de grote
snelheid van zo'n lange, geleidende draad in
De banen van Ralph en Norton liggen in het vlak van de evenaar. In figuur 1 is de afstand
tussen de satellieten overdreven groot weergegeven.
figuur 1
nnoooorrddppooooll aarde B B zzuuiiddppooooll Ralph Norton v
De baansnelheid van Ralph is 7,4 ⋅ 103 ms1 .
14p
Toon aan dat de baansnelheid van Norton binnen de hier gegeven nauwkeurigheid gelijk is
aan die van Ralph.
De draad tussen de twee satellieten bestaat uit sterke kunststof met een dunne koperdraad
als kern. In de koperdraad bevinden zich in totaal 1,1 ⋅ 1023 vrije elektronen. De magnetische
inductie B van het magnetische veld van de aarde staat loodrecht op het vlak van de
evenaar (zie figuur 1).
De grootte van B is gelijk aan 3,0 ⋅ 105 T.
23p
Bereken de totale lorentzkracht op alle vrije elektronen samen.
33p
Beredeneer welke richting de lorentzkracht heeft op de vrije elektronen in de koperdraad.
Ten gevolge van de lorentzkracht verschuiven de vrije elektronen in de draad ten opzichte
van het metaalrooster. Hierdoor ontstaat een elektrisch veld. Door dit elektrische veld
ondervinden de elektronen behalve de lorentzkracht ook een elektrische kracht. Deze twee
krachten zijn met elkaar in evenwicht.
43p
Bereken de elektrische spanning over de draad. Bereken daartoe eerst de elektrische
veldsterkte in de draad.

opgave 2Opgave 2 Temperatuursensor

Een temperatuursensor heeft drie aansluitingen. Aan elke aansluiting is een aansluitdraad
met een andere kleur bevestigd. Zie figuur 2.
55p
64p
In de sensor bevinden zich een
temperatuurafhankelijke en een
temperatuuronafhankelijke weerstand.
Zie figuur 3.
Er wordt een meetplan opgesteld voor een
eenvoudig experiment. Het experiment moet
twee vragen beantwoorden:
• Tussen welke twee aansluitdraden bevindt
zich de temperatuurafhankelijke weerstand?
• Is de temperatuurafhankelijke weerstand een
NTC-weerstand?
Je hebt de beschikking over een batterij, een
stroommeter, een warmtebron en
aansluitdraden.
Beschrijf voor het meetplan:
• welke metingen je achtereenvolgens moet
doen;
• welke schakelingen je daarbij moet
gebruiken;
• hoe je op basis van de meetresultaten de twee
vragen kunt beantwoorden.
De waarden van de weerstanden van de
temperatuursensor worden nauwkeurig
gemeten. R1 heeft een waarde van 47,0 k Ω .
Van R2 is de weerstand als functie van de
temperatuur weergegeven in figuur 4.
De rode draad wordt aangesloten op +5,0 V;
de zwarte wordt geaard.
De sensorspanning is de spanning tussen de
gele en de zwarte draad.
Bepaal de sensorspanning bij een temperatuur
van 36 ° C.
figuur 2
figuur 3
figuur 4
ssseeennnsssooorrr geel zwart
rood R 1 geel R 2 zwart
zwart R (k ) 30 25 20 0 0 30 35 40 45 50 t (˚C)

opgave 3Opgave 3 Duikbril

Onder water kun je niet scherp zien. Dat komt doordat het hoornvlies aan de voorkant van
het oog dan contact maakt met water in plaats van met lucht. De lenswerking van het oog
wordt voornamelijk veroorzaakt door breking van het licht aan het bolle hoornvlies.
In figuur 5 valt een blauwe lichtstraal op een oog onder water.
Voor de brekingsindex n1,2 voor de overgang
van stof 1 naar stof 2 geldt:
figuur bij de opgave
Hierin is n1 de brekingsindex van stof 1 en
n2 die van stof 2.
Voor de overgang van lucht naar hoornvlies
is de brekingsindex voor blauw licht 1,38.
Figuur 5 staat vergroot op de bijlage.
figuur 5
WATER 30˚ blauw hoofdas WATER
75p
Teken in de figuur op de bijlage hoe de
invallende blauwe lichtstraal gebroken
wordt als alléén bij het hoornvlies breking
plaatsvindt. Bereken daartoe eerst de
brekingsindex voor blauw licht bij de
overgang van water naar hoornvlies.
In figuur 6 zie je een meisje dat een duikbril
draagt. De duikbril voorkomt dat het water in
contact komt met de ogen. Hierdoor kan het
meisje nu onder water wel scherp zien.
figuur 6
figuur bij de opgave
In figuur 7A bekijkt het meisje een vis boven water. Deze tekening is schematisch. Er wordt
een scherp beeld van de vis op het netvlies gevormd. Er is een lichtstraal getekend die de
hoofdas snijdt in punt O en die door het oog niet gebroken wordt. Neem aan dat dit geldt
voor alle stralen die door O gaan.
Figuur 7B schetst de situatie waarin het meisje dezelfde vis op dezelfde afstand bekijkt,
maar nu onder water en met duikbril.
figuur 7
O vis beeld van vis water lucht glas
O vis beeld lucht van vis
Figuur 7B is vergroot op de bijlage weergegeven.
83p
Leg aan de hand van een schets in de figuur op de bijlage uit of het meisje de vis nu groter
of kleiner ziet dan in de situatie van figuur 7A.
Door absorptie wordt het daglicht steeds zwakker als je dieper onder water komt. Dit effect
blijkt afhankelijk te zijn van de golflengte van het licht: de absorptie is sterker naarmate de
golflengte groter is. De kleur van een voorwerp diep onder water lijkt daardoor anders dan
boven water.
92p
Leg uit welke kleurverandering het meisje waarneemt als ze steeds dieper onder water
komt.

opgave 4Opgave 4 Golfgenerator

Met een golfgenerator kan energie worden opgewekt uit watergolven op zee. Een
golfgenerator bestaat uit twee grote ’paddestoelen’ die op een vaste afstand van elkaar op
een verbindingsbalk zijn bevestigd. Het geheel van balk en paddestoelen is draaibaar om
een verticale as die zich midden tussen de paddestoelen bevindt en die in de zeebodem is
verankerd. Zie figuur 8 en figuur 9.
figuur 8
wateroppervlak hoed steel steel verbindingsbuis verbindingsbalk draaias zeebodem
figuur 9
figuur bij de opgave
Elke paddestoel bestaat uit een holle, betonnen ’hoed’ met een binnendiameter van 20 meter
op een ’steel’. De hoed is aan de onderkant open. Onder de hoed bevindt zich een
hoeveelheid lucht.
Ga er bij de volgende vraag van uit dat:
• figuur 8 op schaal is;
• de ruimte onder de hoed cilindervormig is;
• het volume van de steel en de verbindingsbuis verwaarloosbaar is;
• de gemiddelde luchtdruk onder de hoed gelijk is aan 2,8 ⋅ 105 Pa;
• een mol lucht een massa heeft van 28,8 gram.
105p
Bereken met behulp van een schatting de massa van de hoeveelheid lucht onder een hoed.
Geef aan welke waarde je toekent (schat) aan de grootheid die niet gegeven is.
Wanneer de waterhoogte boven een hoed toeneemt doordat een golftop passeert, wordt de
lucht onder de hoed samengedrukt. Zie figuur 9. Er wordt dan lucht door de verbindingsbuis
naar de andere paddestoel geperst. Door de golfbeweging van het water wordt de lucht heen
en weer gepompt. De bewegende lucht drijft een generator aan die elektriciteit opwekt.
De watergolven op zee kunnen in goede benadering beschreven worden als lopende golven.
In figuur 10 is een bovenaanzicht gegeven van het golfpatroon.
In het golfpatroon zijn op dezelfde schaal de
verbindingsbalk en de hoeden van de
figuur 10
113p
golfgenerator weergegeven.
De verbindingsbalk staat hier loodrecht op de
voortplantingsrichting van de golven.
Figuur 10 staat vergroot op de bijlage.
Bepaal de hoek waarover de golfgenerator
gedraaid moet worden om een maximale
energieopbrengst te krijgen. Teken daartoe in
de figuur op de bijlage de verbindingsbalk
van de golfgenerator in het golfpatroon, op
schaal en in de juiste richting.
richting vveerrbbiinnddiinnggssbbaallkk golfdal golfdal
De vaste afstand tussen de middelpunten van de paddestoelen bedraagt 60 meter. Bij golven
met grote golflengtes (meer dan 120 m) is de energieopbrengst per seconde van de
golfgenerator niet erg groot.
122p
Geef daarvoor twee oorzaken.
In figuur 11 is weergegeven hoe de druk p onder één van de paddestoelen varieert als
functie van de tijd t bij golven met een golflengte van 180 meter.
figuur 11
3,1 p (105 Pa) 3,0 2,9 2,8 2,7 2,6 2,5 0 0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20 22 24 t (s)
133p
Bepaal de voortplantingssnelheid van de golven.
De druk onder iedere paddestoel wordt gemeten met een sensor. Deze sensor geeft een
elektrische spanning van 0,0 V af bij een druk van 1,00 ⋅ 105 Pa, is volledig lineair en heeft
een gevoeligheid van 20 µ VPa1 .
144p
Bepaal de maximale spanning die de sensor tijdens de in figuur 11 weergegeven meting
heeft afgegeven.

opgave 5Opgave 5 Parachute

Joyce wil weten hoe een parachutesprong verloopt. Zij vraagt een ervaren parachutist om
inlichtingen. Deze laat de (hoogte, tijd)-grafieken zien van twee van zijn sprongen. In het
diagram van figuur 12 zijn beide ( h , t )-grafieken weergegeven.
figuur 12
5000 h (m) 4500 4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000 500 0 0 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 220 240 260 t (s)
Eén sprong is vanaf 5000 m hoogte en één sprong vanaf 800 m. Bij beide sprongen ging de
parachute open op een hoogte van 700 m.
Joyce merkt dat de parachutist met een ’vrije val’ niet hetzelfde bedoelt als wat daarover in
haar natuurkundeboek staat. De parachutist bedoelt er het gedeelte van een val mee waarbij
de parachute nog niet is geopend.
De val van 5000 m naar 700 m duurt langer dan wanneer het een vrije val volgens het
natuurkundeboek zou zijn.
154p
Bepaal hoeveel langer. Gebruik voor g de waarde 9,8 ms2 .
Uit figuur 12 blijkt dat je bij beide sprongen met dezelfde snelheid op de grond neerkomt.
162p
Hoe blijkt dat uit de grafieken?
Voor de luchtwrijvingskracht Fw geldt de volgende formule:
Fw = k p Av2
Hierin is:
k een constante, die onder andere van de vorm van het vallende voorwerp afhangt;
p de luchtdruk;
A de maximale oppervlakte van een doorsnede dwars op de bewegingsrichting;
v de snelheid.
173p
Leg uit waarom de eindsnelheden bij de twee sprongen gelijk zijn. Gebruik daarbij de
formule.
Joyce besluit met behulp van een computermodel een parachutesprong te simuleren.
Ze houdt er rekening mee dat de luchtdruk exponentieel als functie van de hoogte afneemt
volgens:
p ( h ) = p (0) ⋅ e−µh
Hierin is:
p (0) de luchtdruk op de grond; ze kiest p (0) = 1,013 ⋅ 105 Pa;
– µ een constante;
h de hoogte in meters.
Op 5,0 km is de luchtdruk precies de helft van de luchtdruk op de grond.
184p
Bereken de grootte en de eenheid van µ .
Joyce gaat in haar model uit van een parachutist die samen met zijn parachute 75 kg weegt.
Ze laat het model een (snelheid, hoogte)-grafiek tekenen voor een sprong vanaf 5000 m
hoogte. Zie figuur 13.
figuur 13
100 v (ms-1) 90 80 70 60 50 40 30 20 10
0
5000 4500 4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000 500 0
h (m)
Uit deze grafiek blijkt dat de snelheid al vóór het openen van de parachute aan het afnemen
is.
193p
Leg uit waardoor de snelheid dan al afneemt.
205p
Bepaal de arbeid die de luchtwrijvingskracht verricht vanaf het tijdstip dat de parachute
zich ontvouwt tot de landing.
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

opgave 6Opgave 6 Neutrino’s

Na een anderhalf jaar durend onderzoek met een meetopstelling bij de Japanse plaats
Kamioka maakte een team van natuurkundigen in 1998 bekend dat neutrino’s massa
hebben. Het team heeft ontdekt dat er neutrino’s zijn met een massa van 1 ⋅ 1037 kg.
Het onderzoeksteam noemde niet de massa van het neutrino in kg, maar het energie-
equivalent in eV.
213p
Bereken het energie-equivalent van de gevonden massa in eV.
Deeltjes met massa kunnen de lichtsnelheid (net) niet bereiken.
223p
Bereken de De Broglie-golflengte als een neutrino met de genoemde massa tóch de
lichtsnelheid zou hebben.
De meetopstelling in Kamioka bestaat onder meer uit een ondergronds reservoir met een
grote hoeveelheid water. In de watermoleculen komen vooral zuurstofatomen voor van het
isotoop O-16. Ongeveer drie keer per uur botst een neutrino tegen een deeltje in de kern van
een zuurstofatoom. Bij deze botsing ’verdwijnt’ het neutrino en verlaat een elektron de kern
van het zuurstofatoom.
234p
Beschrijf aan de hand van een reactievergelijking welke nieuwe kern bij de botsing van het
neutrino en de zuurstofkern wordt gevormd.
In het Franse plaatsje Chooz staat een kerncentrale die 9 ⋅ 1021 neutrino’s per seconde
produceert. Deze neutrino’s verlaten de centrale gelijkmatig in alle richtingen.
Op 1,0 km afstand van de kerncentrale staat een neutrinodetector. Bij deze detector
passeren niet alleen neutrino’s uit de kerncentrale, maar ook neutrino’s die afkomstig zijn
van de zon. De zon zorgt bij de detector per seconde voor 6,5 ⋅ 1013 neutrino’s per m2 .
243p
Ga na of de meeste neutrino’s die de detector bij Chooz bereiken afkomstig zijn van de
kerncentrale of van de zon.
Einde
Lees verder