tjoefie

natuurkunde vwo 2009 · tijdvak 2 · natuurkunde 1,2 · project moderne natuurkunde

A4-weergave

opgave 1Opgave 1 Radarcontrole

Om de snelheid van een auto te meten kan de politie een
figuur 1
13p
radarapparaat gebruiken. Zie figuur 1.
Dit apparaat zendt gedurende enige milliseconden radargolven
uit die door de rijdende auto worden teruggekaatst.
De golflengte van de uitgezonden radargolven is 9,0 mm .
Radargolven planten zich voort met de lichtsnelheid.
Bereken de frequentie van de uitgezonden radargolven.
De teruggekaatste radargolven hebben een veel kleinere
figuur bij de opgave
amplitudo en een iets kleinere golflengte dan de uitgezonden radargolven.
22p
Geef voor beide veranderingen de oorzaak.
Om de snelheid van de auto te bepalen kan men de teruggekaatste golven laten
interfereren met de uitgezonden golven. Hierbij ontstaat een samengestelde golf
(zweving) waarvan de amplitudo varieert met een bepaalde frequentie.
In figuur 2 is zo’n zweving weergegeven.
figuur 2
U 0 0 100 200 300 400 500 t ( s)
De frequentie waarmee de amplitude varieert, is gelijk aan het frequentieverschil
Δ f tussen de uitgezonden golf en de teruggekaatste golf.
Voor het verband tussen Δ f en de snelheid v van een auto die op grote afstand
nadert, geldt de volgende formule:
figuur bij de opgave
Hierin is:
− Δ f het frequentieverschil in Hz ;
v de snelheid van de auto in m s1 ;
λ de golflengte van de uitgezonden straling in m .
34p
Bepaal met behulp van figuur 2 de snelheid van de naderende auto in km h1 .
Als de auto dichterbij het radarapparaat komt, is deze formule niet juist.
Er moet dan gecorrigeerd worden voor het feit, dat de auto niet precies in de
richting van het radarapparaat rijdt. Voor de snelheid v moet dan de component
van de snelheid in de richting van het radarapparaat ingevuld worden.
42p
Leg uit of in dat geval de formule een te grote of een te kleine waarde voor de
snelheid v geeft.
Bij een snelheid van 83 kmh1 geldt: Δ f = 5,1 kHz . Bij een frequentieverschil
van 5,1 kHz en hoger moet er een foto van de auto gemaakt worden. Dan gaat
er een hoog signaal naar het fototoestel.
Dit kan gerealiseerd worden met de schakeling van figuur 3. Het signaal van
figuur 2 wordt daarbij omgezet in een digitaal signaal met dezelfde frequentie als
de verschilfrequentie Δ f .
figuur 3
digitaal
signaal
pulsgenerator teller teller 2 3 1 4 telpulsen 8 128 telpulsen fototoestel 0 5 4 64 f = 40 Hz aan/uit 2 32 reset 16 1 aan/uit 8 A 4 2 1 reset 1 B
Deze schakeling zorgt ervoor dat teller B steeds, beginnend bij 0 , gedurende
40 1 seconde de pulsen van het digitale signaal van het radarapparaat telt.
53p
Leg dit uit aan de hand van de schakeling.
62p
Toon met een berekening aan dat bij een frequentie van 5,1 kHz en hoger een
hoog signaal naar het fototoestel gestuurd wordt.

opgave 2Opgave 2 Het mysterie van de verdwenen zonneneutrino’s

De aarde ontvangt voortdurend neutrino’s van de zon. In neutrino-observatoria
op aarde worden minder zonneneutrino’s gedetecteerd dan verwacht werd op
grond van het aantal dat de zon produceert. Dit ‘mysterie’ van de verdwenen
zonneneutrino’s is in 2002 opgelost door onderzoekers van het
neutrino-observatorium in het Canadese Sudbury.
De zonneneutrino’s ontstaan bij fusiereacties in de zon. Elke fusiereactie van
waterstof levert 26,8 MeV energie op en twee elektronneutrino’s.
Neem aan dat de zon de energie die zij uitstraalt volledig uit waterstoffusie
haalt, in alle richtingen evenveel neutrino’s uitzendt en geen neutrino’s
absorbeert.
75p
Bereken het aantal elektronneutrino’s dat dan per seconde op de aarde zou
moeten vallen. Gebruik daarbij tabel 32C in Binas.
Het observatorium van Sudbury bestaat
figuur 1
figuur bij de opgave
uit een grote bol die met zwaar water
( D2 O ) is gevuld. Zie figuur 1. Wanneer
een neutrino een deuteriumkern
(D = 2/1 H) treft, komt een elektron vrij
met zoveel energie dat het gedetecteerd
kan worden. Zo’n hoog-energetisch
elektron kan in Sudbury op twee
manieren ontstaan.
Manier 1.
Een neutrino reageert met een neutron
van een deuteriumkern:
ν + n → p+ + e
82p
Teken het reactiediagram van deze reactie.
92p
Leid reactie 1 af uit β - verval van een neutron en geef aan welke symmetrie-
operatie(s) je daarbij gebruikt.
Manier 2.
Deze begint met een reactie waarbij een neutrino een deuteriumkern opsplitst in
een proton en een neutron:
ν + 2/1 H → p+ + n + ν
104p
Bereken hoeveel energie het neutrino bij deze reactie minimaal verliest.
Daarna reageert het vrijkomende neutron met een andere deuteriumkern. Hierbij
ontstaat een tritiumkern (T = 3/1 H) in een aangeslagen toestand. Bij terugval naar
de grondtoestand zendt de tritiumkern een gammafoton uit. Dit gammafoton
botst tegen een elektron dat hierbij voldoende energie krijgt om gedetecteerd te
kunnen worden.
We gebruiken nu het deeltje-in-een-doosmodel om aan te tonen dat een
aangeslagen tritiumkern bij terugval naar de grondtoestand inderdaad een
gammafoton uitzendt. Hierbij benaderen we de tritiumkern door een
kubusvormige doos met ribbe L in de orde van 10–14 m . Het terugvallen van de
aangeslagen tritiumkern betekent in deze benadering dat een neutron in de doos
van energietoestand ( 2, 1, 1 ) naar energietoestand ( 1, 1, 1 ) terugvalt.
114p
Laat met een berekening zien dat hierbij inderdaad een gammafoton vrijkomt.
Met behulp van de energie van de gedetecteerde elektronen kan bepaald
worden op welke manier de neutrino’s hebben gereageerd. Uit de
meetgegevens blijkt dat via manier 1 minder neutrino’s worden gedetecteerd
dan verwacht. Het aantal neutrino’s dat via manier 2 wordt gedetecteerd komt
wel met de verwachting overeen. Hieruit concluderen de onderzoekers dat
onderweg naar de aarde een deel van de elektronneutrino’s verandert in
neutrino’s van de tweede en derde generatie.
Met deze conclusie en de beide reacties is te verklaren waarom minder
neutrino’s worden waargenomen via manier 1 en het juiste aantal via manier 2.
Men maakt bij deze verklaring gebruik van een behoudswet waaraan de reacties
bij beide manieren moeten voldoen.
122p
Formuleer de bedoelde behoudswet.

opgave 3Opgave 3 Planetoïde

Planetoïden zijn kleine, rotsachtige hemellichamen die rond de zon bewegen.
Een botsing met de aarde kan grote gevolgen hebben.
Een inslag op land geeft een krater van 10 à 20 keer de doorsnede van het
object. Een inslag in de oceaan kan een tsunami veroorzaken.
In figuur 1 staat een foto van zo’n planetoïde.
figuur 1
figuur 1
In figuur 2 is de ellipsvormige baan van een planetoïde weergegeven.
figuur 2
baan planeto de zon
In een ellipsbaan staat de snelheidsvector niet steeds loodrecht op de
verbindingslijn van de planetoïde met de zon. De snelheid kan daarom ook een
component in de richting van de zon hebben.
In de figuur op de uitwerkbijlage is de snelheidscomponent in de richting van de
zon in punt A getekend.
De getekende component heeft een grootte van 8,0 kms1 .
133puitwerkbijlage
Bepaal in de figuur op de uitwerkbijlage de grootte van de snelheid waarmee de
planetoïde in punt A beweegt.
De totale energie van een planetoïde in zijn ellipsbaan om de zon bestaat uit de
som van zijn kinetische energie en zijn gravitatie-energie.
143p
Beredeneer dat een planetoïde dichter bij de zon een grotere snelheid heeft dan
op grotere afstand van de zon.
Op 29 januari 2008 ‘scheerde’ de planetoïde TU24, met een doorsnede
van 250 m , op een afstand van 5,38 ⋅ 108 m langs de aarde.
Neem aan dat de aarde zich toen tussen de zon en de planetoïde bevond.
Zie figuur 3. Figuur 3 is niet op schaal.
figuur 3
figuur bij de opgave
figuur 3
planetoide aarde
154p
Laat met een berekening zien of TU24 op die plaats sterker door de aarde of
sterker door de zon wordt aangetrokken.
Stel dat TU24 met een massa van 1,9 ⋅ 1010 kg recht op de aarde afkoerst met
een snelheid van 3,7 ⋅ 104 ms1 . Men zou dan kunnen proberen TU24 tegen te
houden door hem te beschieten met een raket.
Ga uit van een raket met een massa van 280 ton en een snelheid
van 1,3·104 m s1 ten opzichte van de aarde. Neem aan dat TU24 en de raket
frontaal botsen en na de botsing als één geheel verder gaan.
163p
Laat met een berekening zien dat hierbij de snelheid van TU24 nauwelijks zou
veranderen.

opgave 4Opgave 4 Regendruppels

Op de foto van figuur 1 zie je
figuur 1
vallende regendruppels.
(Omdat het een beetje waait, vallen de
druppels niet loodrecht naar beneden.)
Tijdens het maken van de foto
stond de camera scherpgesteld
op de regendruppels die zich
halverwege de lens en de muur
bevinden.
In figuur 2 staat een schematische
tekening van de situatie.
Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.
figuur bij de opgave
figuur 2
M D
muur druppels
lens
achterwand
camera
Punt D geeft een druppel aan.
Punt M is een punt van de muur.
174puitwerkbijlage
Voer de volgende opdrachten uit:
− Construeer in de figuur op de uitwerkbijlage het beeld van punt D .
− Bepaal de plaats van een van de brandpunten en construeer het beeld van
punt M .
− Leg uit waarom de afbeelding van de bakstenen op de foto niet scherp is.
Voor de luchtwrijvingskracht op een druppel geldt:
figuur bij de opgave
Hierin is:
cw de wrijvingscoëfficiënt. Deze is onafhankelijk van de diameter van de
druppel;
− ρl de dichtheid van de lucht in kgm3 ;
A de frontale oppervlakte van de druppel in m2 ;
v de snelheid van de druppel in ms1 .
Als een druppel met constante snelheid v valt, geldt voor de valsnelheid:
v2 = kr
Hierin is:
r de straal van de druppel in m ;
k een constante .
184p
Druk de constante k uit in g , cw , ρl en ρw .
− ρw is de dichtheid van water in kgm3 ;
g is de valversnelling in ms2 .
Voor regendruppels op de foto van figuur 1 is de waarde van k gelijk aan
4,0·104 . De duur van de opname (sluitertijd) is 60 1 s .
De hoogte van een baksteen met één voeg in de muur is 6,0 cm .
De vergroting van een baksteen op de foto is de helft van de vergroting van de
druppels.
Bekijk het spoor van de druppel tussen de punten A en B .
195p
Bepaal de diameter van deze druppel aan de hand van de lengte van het spoor
AB op de foto.
Tijdens het vallen verdampt er een klein deel van het water van een druppel.
Dit is zo weinig dat het geen invloed heeft op de valsnelheid van de druppel,
maar wel op zijn temperatuur.
203p
Beredeneer of de temperatuur van de druppel door het verdampen stijgt of daalt.
De snelheid van een druppel is in de laatste 100 m van de val constant. Dit is
een gevolg van de luchtwrijving. Door diezelfde luchtwrijving stijgt de
temperatuur van de druppel iets. Neem aan dat alle wrijvingswarmte van de
vallende druppel leidt tot deze temperatuurstijging.
214p
Bereken de temperatuurstijging van een druppel in de laatste 100 m van de val
als gevolg van de luchtwrijving.

opgave 5Opgave 5 Plasmalamp

Hans heeft een plasmalamp. Deze bestaat uit een bolvormige metalen elektrode
in een glazen bol. Zie figuur 1.
figuur 1
figuur 1
De bol is gevuld met edelgas. Door de hoge spanning tussen de metalen
elektrode en de glazen bol ontstaan er bliksemachtige sporen.
In zo’n spoor is het gas geïoniseerd.
In figuur 2 zie je een schematische tekening van de glazen bol en de metalen
elektrode in het midden. Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.
figuur 2
figuur 2
Op een bepaald moment is de bolvormige elektrode negatief ten opzichte van de
glazen bol. Neem aan dat er geen ontladingen plaatsvinden.
222puitwerkbijlage
Teken in de figuur op de uitwerkbijlage het elektrisch veld in de bol.
Gebruik hiervoor minimaal zes elektrische veldlijnen.
Hans plakt een stukje aluminiumfolie op de buitenkant van de glazen bol.
Aan dit aluminiumfolie bevestigt hij een stukje koperdraad.
Zie figuur 3. Figuur 3 staat ook op de uitwerkbijlage.
De koperdraad wordt via een weerstand van 44 k Ω verbonden met de aarde.
Hans beschikt verder over een stroommeter en een spanningsmeter.
figuur 3
aluminiumfolie koperdraad plasmalamp
aardverbinding
233puitwerkbijlage
Teken in de figuur op de uitwerkbijlage een schakelschema dat geschikt is om
de stroom door en de spanning over de weerstand te meten.
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.
Glas is een goede elektrische isolator. De stroom die gemeten wordt tussen het
aluminiumfolie en aarde kan dus niet veroorzaakt worden door elektronen die
door het glas gaan.
In figuur 4 is een spoor tussen de elektrode en de glazen bol getekend. Door de
ionisatie van gas langs dat spoor ontstaat er een geleidende verbinding tussen
de elektrode en de binnenkant van het glas. Zie figuur 4.
figuur 4
edelgas + aluminiumfolie + spoor + + glas aarde
Op een bepaald moment ontstaat op het glas aan de binnenkant van de bol bij
het aluminiumfolie een positieve lading. Op datzelfde moment loopt tussen het
aluminiumfolie en aarde een stroom.
243p
Leg uit of deze stroom van het aluminiumfolie naar aarde loopt of andersom.
In de bol bevindt zich onder andere heliumgas. Door het gas bewegen
elektronen die tegen heliumatomen kunnen botsen. Als de snelheid van een
elektron groot genoeg is, kan bij een botsing een heliumatoom geïoniseerd
worden.
De vrije weglengte is de gemiddelde afstand die een elektron aflegt tussen twee
opeenvolgende botsingen met atomen.
252p
Leg met behulp van het begrip vrije weglengte uit dat de gasdruk laag moet zijn
om heliumatomen te kunnen ioniseren.
De gasdruk in de bol is 10% van de buitenluchtdruk.
In de bol bevindt zich 0,90 L gas met een temperatuur van 18 ºC .
264p
Bereken het aantal moleculen gas dat zich in de bol bevindt.