opgave 1Massa meten in de ruimte
Astronauten verblijven soms langdurig
in een ruimtestation dat om de aarde cirkelt.
Om te voorkomen dat de astronauten spier-
en botmassa verliezen moeten ze
oefeningen doen. Daarom moet gedurende
het verblijf hun massa gemonitord worden.
Om in de ruimte de massa van astronauten
te bepalen, is speciale apparatuur nodig.
Anders dan op aarde kan de massa niet worden bepaald door de
astronauten op een gewone personenweegschaal te laten staan.
12pLeg uit waarom dat niet kan.
Figuur 1 toont een foto van een astronaute in een speciale stoel waarmee
haar massa kan worden bepaald. Deze stoel is via twee veren, aan de
voor- en achterkant van de stoel, verbonden aan twee vaste
ophangpunten. Als de stoel een horizontale uitwijking krijgt, gaat hij trillen.
Door de trillingstijd te meten, kan de massa van de astronaute worden
bepaald.
Jasper en André doen een experiment waarbij ze dit simuleren. Ze
gebruiken een luchtkussenbaan met daarop een slede die met twee
identieke veren is vastgemaakt aan twee vaste klemmen (zie figuur 2). De
veerconstante van elke veer is 25 N m-1 .
figuur 2
De klemmen A en B zijn zo ver uit elkaar gezet dat de veren gespannen
zijn als de slede in de evenwichtsstand staat. In de figuur op de
uitwerkbijlage zijn drie situaties getekend:
1 De veren zijn nog niet bevestigd aan de slede. L0 is de rustlengte van
de veren.
2 De slede is aan twee gespannen veren bevestigd en bevindt zich in de
evenwichtsstand. De uitrekking van beide veren is nu u0 .
3 De slede heeft een uitwijking x uit de evenwichtsstand. De uitrekking
van beide veren is respectievelijk uL en uR .
André beweert dat het massa-veersysteem, bestaande uit de slede en de
twee veren, een totale veerconstante heeft van 50 Nm-1 .
In de figuur op de uitwerkbijlage is in de situaties 2 en 3 de veerkracht FL
van de linker veer op de slede getekend.
24puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit:
− Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de veerkracht FR van de
rechter veer op de slede in de situaties 2 en 3.
− Leg hiermee uit dat André gelijk heeft.
Nadat de slede een uitwijking uit de evenwichtsstand heeft gekregen,
beweegt deze wrijvingsloos over de luchtkussenbaan. Jasper en André
maken een videometing van de beweging van de slede. Het
( x , t ) -diagram van deze meting staat in figuur 3.
figuur 3
33pBepaal de massa van de slede met behulp van figuur 3. Noteer je
antwoord in twee significante cijfers.
Jasper en André maken een computermodel om het massa-veersysteem
in het ruimtestation te beschrijven. De waardes van alle grootheden zijn
dus niet hetzelfde als bij de vorige vragen. Net als bij het experiment zijn
in het model de veren gespannen als de stoel met de astronaut zich in de
evenwichtsstand bevindt.
Jasper en André maken met het model een grafiek voor x als functie van
de tijd. Zie figuur 4. Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
figuur 4
45puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit:
− Bepaal met behulp van het ( x , t ) -diagram op de uitwerkbijlage de
maximale snelheid van de stoel. Noteer je antwoord in twee
significante cijfers.
− Teken in de figuur op de uitwerkbijlage het bijbehorende
( v , t ) -diagram.
Dan bedenkt Jasper dat er in het ruimtestation wrijving is. Hij past het
model aan door een wrijvingskracht toe te voegen. Hij voegt ook de
formules toe voor de kinetische energie Ek , de veerenergie Ev en de
totale energie Et van het massa-veersysteem. Hierbij is Et = Ek + Ev .
51pWelke formule voor de veerenergie is de juiste?
A Ev = ½ C ( uL2 − uR2 )
B Ev = ½ C ( uL2 + uR2 )
C Ev = ½ C ( uL − uR )2
D Ev = ½ C ( uL + uR )2
Jasper maakt met het aangepaste model grafieken voor de kinetische
energie, de veerenergie en de totale energie als functie van de tijd. Zie
figuur 5.
figuur 5
Uit figuur 5 blijkt dat de veerenergie niet tot 0 J daalt.
61pGeef hiervoor de natuurkundige verklaring.
André constateert dat het totale energieverlies per seconde afwisselend
toe- en afneemt, waardoor de grafiek van Et er nogal hobbelig uitziet. Hij
ziet ook dat Et het snelst daalt als Ek maximaal is. André vermoedt dat
dit komt doordat in het model voor de wrijvingskracht de formule voor
luchtweerstand is gebruikt. Omdat deze afhankelijk is van de snelheid zal
het energieverlies per seconde het grootst zijn als de snelheid maximaal
is. Om deze hypothese te toetsen past André de modelformule voor de
wrijvingskracht aan zodat de grootte van de wrijvingskracht constant is.
Vervolgens maakt André met het model de grafieken van Ek en Et
opnieuw. Hij verwacht dat de grafiek van Et nu geen hobbels meer
vertoont.
72pLeg uit of de verwachting van André terecht is.
opgave 2ECG in MRI
Het hart pompt het bloed door het lichaam. Dit gebeurt doordat een
elektrische prikkel de hartspier laat samentrekken. Tijdens de
samentrekkingen treedt scheiding op van elektrische lading. Dit kun je
meten en vervolgens zichtbaar maken met een elektrocardiogram (ECG).
In figuur 1 is een ECG weergegeven van een gezonde persoon. Dit ECG
is getekend door een pen die met een snelheid van 25 mm s−1 van links
naar rechts beweegt. Figuur 1 is op ware grootte.
figuur 1
Het hartritme is gedefinieerd als het aantal slagen van het hart per
minuut.
83pBepaal met behulp van figuur 1 het hartritme van deze persoon. Noteer je
antwoord in twee significante cijfers.
Bij het maken van een ECG in het ziekenhuis worden er vaak drie
elektroden op de huid van de patiënt geplakt: op de rechterarm ( A ) , op de
linkerarm ( B ) en op het linkerbeen ( C ). Zie figuur 2. De spanningen die
tussen de elektroden worden gemeten leveren drie verschillende ECG’s
op.
figuur 2
De spanningsmeters in figuur 2 meten respectievelijk de spanning UAB
tussen A en B, de spanning UAC tussen A en C en de spanning UBC
tussen B en C. De plus- en minaansluitingen van de spanningsmeters zijn
aangegeven in figuur 2.
Het ECG van figuur 1 is een meting van de spanning tussen A en C . Dit
ECG kan ook verkregen worden door de spanning tussen A en B en de
spanning tussen B en C te meten en deze spanningen voor ieder tijdstip
bij elkaar op te tellen.
92pLeg dit uit met behulp van de spanningswet van Kirchhoff.
Bij mensen die een traag hartritme hebben, wordt vaak een pacemaker
ingebracht. Dit apparaat meet voortdurend het hartritme en kan met kleine
stroomstootjes het ritme bijsturen.
Voor het plaatsen van een pacemaker wordt een dun slangetje, een
katheter, in het hart aangebracht. Om tijdens het inbrengen de katheter te
volgen wordt een CT-scan van de patiënt gemaakt. Tegelijkertijd wordt de
hartfunctie in de gaten gehouden met een ECG.
In plaats van gebruik te maken van een CT-scan zou het voor de patiënt
beter zijn als het inbrengen van de katheter gevolgd zou worden met een
MRI-scan.
101pGeef een natuurkundige reden waarom dit beter is voor de patiënt.
Het maken van een MRI-scan heeft ook nadelen. Het sterke magneetveld
van de MRI-scanner zorgt ervoor dat het ECG van de patiënt er anders
uitziet, zelfs als het hart normaal functioneert.
De verandering komt doordat in het bloed positieve en negatieve ionen
zitten. Door de stroming van het bloed en het uitwendige magneetveld van
de MRI-scanner ontstaat een lorentzkracht op de ionen. Hierdoor treedt in
het bloed ladingsscheiding op waardoor een elektrische spanning ontstaat
die de ECG-meting beïnvloedt. In figuur 3 staat een voorbeeld van de
verandering van een ECG als het magneetveld verandert. Dit is vooral te
zien bij de pijlen.
In figuur 4 is schematisch een
doorsnede van de borstkas in
zijaanzicht weergegeven. Het bloed
verlaat het hart onder andere via het
grootste bloedvat in het lichaam, de
aorta. De aorta is in figuur 4
overdreven groot weergegeven. r
Het uitwendige magnetisch veld B0 is
aangegeven met pijlen die in de figuur
van onder naar boven lopen. De
horizontale pijlen r in de aorta geven de
stroomsnelheid v van het bloed aan.
In het bovenste deel van de aorta staan de stromingsrichting van het
bloed en de richting van het magneetveld loodrecht op elkaar.
Figuur 4 staat ook op de uitwerkbijlage.
113puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit:
− Geef in de cirkel in de figuur op de uitwerkbijlage de richting aan van
de lorentzkracht op de positieve ionen.
− Leg uit dat er in de aorta ladingsscheiding optreedt.
− Leg hiermee uit op welke spanning ( UAB , UBC of UAC ) de invloed van
deze ladingsscheiding het grootst is.
Samira en Fatima willen controleren of de verandering in het ECG
verklaard kan worden door de ladingsscheiding in de aorta als gevolg van
het magneetveld in de MRI-scanner.
Ze leiden een formule af voor de spanning die ontstaat als gevolg van
deze ladingsscheiding:
Uls = v ⋅ B0 ⋅ d
Hierin is:
− Uls de spanning in de aorta als gevolg van de ladingsscheiding in V
− v de stroomsnelheid van het bloed in ms−1
− B0 de sterkte van het magneetveld in de MRI-scanner in T
− d de gemiddelde afstand tussen de positieve en negatieve lading in m
Samira en Fatima zien dat op een bepaald moment bij een magnetische
veldsterkte van 3,0 T de toename van de spanning in het ECG 1 mV is
ten opzichte van de situatie bij 0 T . Ze vinden in een informatieboek dat
er op dat moment tijdens een hartslag per seconde 600 mL bloed door de
aorta stroomt en dat de diameter van de aorta 3 cm is. Ze leiden af dat
voor de stroomsnelheid in het bloed geldt:
Hierin is:
− Q de hoeveelheid bloed die per seconde door de aorta stroomt in
m3 s−1
− A de oppervlakte van de dwarsdoorsnede van de aorta in m2
Samira en Fatima realiseren zich dat de bovenstaande verklaring alleen
kan kloppen als d kleiner is dan de diameter van de aorta.
124pLeg met behulp van een berekening uit of de verandering van het ECG
verklaard zou kunnen worden door ladingsscheiding in de aorta.
opgave 3Adelaarsnevel
Een interstellaire wolk is een groot
gebied in het heelal, van vele
tientallen lichtjaren in omvang, dat
zeer ijl gas bevat. Dit gas bestaat voor
het grootste deel uit atomair
waterstof.
Onder bepaalde omstandigheden kan
een interstellaire wolk zelf licht
uitzenden. De wolk wordt dan een
emissienevel genoemd. Figuur 1 is
een foto van zo’n nevel, de
Adelaarsnevel.
In een emissienevel wordt
voortdurend waterstof geïoniseerd,
waarna de protonen en elektronen
weer recombineren tot atomen. Hierbij wordt zichtbaar licht uitgezonden.
De lijnen van het waterstofspectrum zijn altijd terug te vinden in het
spectrum van een emissienevel. Eén van de waterstoflijnen overheerst in
het zichtbare spectrum, namelijk de lijn met een golflengte van 656,28 nm .
Emissienevels hebben daardoor vaak een karakteristieke rode kleur.
135pVoer de volgende opdrachten uit:
− Bereken, uitgaande van de gegeven golflengte, de fotonenergie in eV
van de overheersende waterstoflijn in het spectrum van een
emissienevel. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante
cijfers.
− Toon met behulp van de formule voor de energie van het
waterstofatoom aan dat deze lijn hoort bij de overgang tussen de
eerste en de tweede aangeslagen toestand van waterstof.
− Geef aan of het een overgang is van eerste naar tweede aangeslagen
toestand of andersom.
Om van een interstellaire wolk een emissienevel te maken moet aan twee
voorwaarden worden voldaan:
1 er moet een ster in de nevel aanwezig zijn,
2 deze ster moet vooral straling uitzenden met frequenties die groter zijn
dan van zichtbaar licht.
142pLeg uit waarom voorwaarde 2 noodzakelijk is.
Het valt Eva en Isa op dat ster HD168076 op dezelfde plek aan de hemel
staat als de Adelaarsnevel. Deze ster wordt in de rest van deze opgave
‘de ster’ genoemd.
Eva en Isa willen de hypothese toetsen dat de ster één van de sterren is
die van de interstellaire wolk een emissienevel maakt.
De planckkromme van de ster is in figuur 2 weergegeven.
figuur 2
152pLeg met behulp van figuur 2 uit dat de ster aan voorwaarde 2 voldoet.
163pToon met behulp van figuur 2 aan dat de ster een temperatuur van
4 ⋅ 104 K heeft.
Op de uitwerkbijlage is een Hertzsprung-Russelldiagram weergegeven.
Op de verticale as staat het uitgezonden vermogen ten opzichte van de
zon, op een logaritmische schaal. Op de horizontale as staat de
temperatuur, aflopend van links naar rechts, eveneens op een
logaritmische schaal.
De ster is een ster op de hoofdreeks. Eva en Isa benaderen de
hoofdreeks met een lijn. Deze lijn is getekend in de figuur op de
uitwerkbijlage. Ze gaan ervan uit dat hoofdreekssterren op deze lijn
liggen.
175puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit:
− Toon met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage aan dat het
uitgestraald vermogen van de ster gelijk is aan 2 ⋅ 1032 W .
− Bereken hiermee de straal van de ster.
Eva en Isa gebruiken een optische telescoop om de stralingsintensiteit
van de ster te bepalen die op aarde wordt ontvangen. De telescoop
detecteert 60% van de stralingsintensiteit in het golflengtegebied van 400
tot 800 nm.
Eva en Isa meten met deze telescoop een stralingsintensiteit van
4,7 ⋅ 10−11 W m−2 in dit golflengtegebied.
Uit hun meting bepalen ze met behulp van figuur 2 dat de totale
ontvangen stralingsintensiteit op aarde van de ster 3,4 ⋅ 10−9 W m−2 is.
Figuur 2 staat vergroot op de uitwerkbijlage. Het gebied onder de grafiek
tussen 400 nm en 800 nm is gearceerd. De oppervlakte van dit gebied is
gelijk aan 0,2 hokje.
184pVoer de bepaling van Eva en Isa uit en toon aan dat de uitkomst
inderdaad tussen 3 ⋅ 10−9 Wm−2 en 4 ⋅ 10−9 Wm−2 ligt.
De Adelaarsnevel bevindt zich op een afstand van 7 ⋅ 103 lichtjaar .
193pToon met behulp van een berekening aan of aan voorwaarde 1 kan zijn
voldaan.
opgave 4LEO-satelliet
Low Earth Orbit (LEO) satellieten
worden gebruikt voor onderzoek aan het
broeikaseffect. Deze satellieten draaien
betrekkelijk laag boven het
aardoppervlak. Zie figuur 1.
De snelheid van een satelliet kan worden
berekend met de formule:
(1)
Hierin is:
− v de snelheid in m s−1
− G de gravitatieconstante in N m2 kg-2
− M de massa van de aarde in kg
− r de baanstraal van de satelliet in m
De totale energie Et van een satelliet is de som van de kinetische energie
en de gravitatie-energie.
De totale energie van een satelliet kan berekend worden met de formule:
Hierin is:
− Et de totale energie van de satelliet in J
− G de gravitatieconstante in N m2 kg-2
− m de massa van de satelliet in kg
− M de massa van de aarde in kg
− r de baanstraal van de satelliet in m
204pLeid de formules (1) en (2) af met behulp van formules uit het
informatieboek.
Een bepaalde LEO-satelliet bevindt zich op een hoogte van 425 km.
213pToon aan dat deze satelliet een snelheid heeft van 7,658 km s−1 .
Op deze hoogte is de atmosferische wrijving niet helemaal
verwaarloosbaar. De dichtheid van de atmosfeer hangt sterk af van de
hoogte h boven het aardoppervlak. Het verloop van de dichtheid tussen
h = 400 km en h = 450 km is weergegeven in figuur 2.
figuur 2
De satelliet heeft een cw -waarde van 2,2 en een frontaal oppervlak van
0,385 m2 .
224pBepaal de energie die deze satelliet elke seconde verliest ten gevolge van
atmosferische wrijving.
De totale energie uit formule (2) is een functie van r en kun je dus ook
noteren als Et ( r ) = − ½ GmMr−1 .
233pVoer de volgende opdrachten uit:
− Geef de afgeleide d d E/rt door Et ( r ) te differentiëren.
d d E/rt
− Leg aan de hand van het teken van
hoogte van de LEO-satelliet steeds kleiner wordt.
Als er niet gecorrigeerd zou worden voor het hoogteverlies door de
wrijving zou de hoogte van de LEO-satelliet afnemen volgens figuur 3.
Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
figuur 3
Aan het eind van de levensduur van de satelliet wordt er niet meer
gecorrigeerd voor het hoogteverlies.
244puitwerkbijlageBepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage het hoogteverlies
per omwenteling om de aarde van de satelliet die zich op een hoogte van
425 km bevindt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Aan het eind van de levensduur verandert de baansnelheid van de
satelliet.
252pLeg met behulp van formule (1) uit of deze baansnelheid steeds kleiner of
steeds groter wordt.
Bronvermelding
Een opsomming van de in dit examen gebruikte bronnen, zoals teksten en afbeeldingen, is te vinden in het bij dit examen
behorende correctievoorschrift, dat na afloop van het examen wordt gepubliceerd.