opgave 1Langlaufen in klassieke stijl
Langlaufen is een wintersport waarbij een
langlaufer vooruitkomt op ski’s door zich af te
zetten tegen een besneeuwde ondergrond.
Bij de klassieke stijl moet de langlaufer
gedurende de hele beweging zijn beide ski’s
evenwijdig aan elkaar houden, zodat ze in de
twee gleuven in de sneeuw, de loipe, blijven. Zie
figuur 1.
Binnen de klassieke stijl zijn twee verschillende
technieken mogelijk: de dubbelstoktechniek
(figuur 1) en de diagonaalpastechniek (figuur 2).
Dubbelstoktechniek
Bij de dubbelstoktechniek is het
mogelijk om in korte tijd een hoge snelheid
te ontwikkelen. De langlaufer gebruikt dan
alleen de twee skistokken om zichzelf vooruit te
duwen, terwijl beide ski’s naast elkaar blijven.
In figuur 3 is één bewegingscyclus van de
dubbelstoktechniek schematisch weergegeven
in vier plaatjes.
figuur 3
Met behulp van videometen is de beweging van een langlaufer met de
dubbelstoktechniek vastgelegd. In figuur 4 staat een klein gedeelte van
deze beweging afgebeeld. De figuur toont iets meer dan één volledige
bewegingscyclus.
figuur 4
Figuur 4 staat ook op de uitwerkbijlage.
14puitwerkbijlageBepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de afstand die de
langlaufer aflegt in één bewegingscyclus. Noteer je antwoord in twee
significante cijfers.
Diagonaalpastechniek
De tweede klassieke techniek is de diagonaalpastechniek. Bij deze
techniek steunt de langlaufer afwisselend met zijn gewicht op een van
beide ski’s. Op dat moment raakt de ski over zijn volle lengte de
ondergrond en kan de langlaufer zich met één ski afzetten. In figuur 5 is
de diagonaalpastechniek schematisch weergegeven in vijf plaatjes.
figuur 5
Een klassieke langlaufski is licht gebogen. Daardoor raakt het midden van
de ski de grond pas als de ski voldoende belast wordt. Zo’n ski heet een
camberski. De maximale hoogte boven de grond wordt de camberhoogte
genoemd. Zie figuur 6.
figuur 6
Het middengedeelte van de onderkant van de ski is ruw gemaakt.
Hiermee kan de langlaufer zich afzetten als het middengedeelte de
sneeuw raakt. In de glijfase verdeelt de langlaufer zijn gewicht over beide
ski’s en is hij in staat om te glijden. Om te kunnen glijden mag het
middengedeelte van de ski’s de sneeuw niet raken als de langlaufer op
twee ski’s staat. Als de langlaufer op één ski staat, moet het
middengedeelte van de ski de sneeuw wel raken om te kunnen afzetten.
Het is daarom essentieel dat de langlaufer ski’s gebruikt waarvan de
flexibiliteit en de camberhoogte passen bij zijn massa. Een ski is daarbij in
eerste benadering vergelijkbaar met een veer.
Een langlaufer met een massa van 80 kg wil langlaufski’s gebruiken met
een camberhoogte van 3,0 mm en een veerconstante van 100 kN m−1 .
Aan de voorwaarde dat het middengedeelte van de ski de sneeuw raakt
als de langlaufer op één ski staat, is in dit geval voldaan.
24pControleer met een berekening of de ski’s ook geschikt zijn voor deze
langlaufer als hij op beide ski’s staat.
Wanneer de flexibiliteit van een langlaufski in detail bekeken wordt, blijkt
dat de benadering van de veer niet precies klopt. Het verband tussen de
verticale kracht F en de hoogte h van het midden van de ski blijkt namelijk
niet lineair te zijn. In figuur 7 is het verband tussen kracht en hoogte
weergegeven voor twee typen ski’s: een ski voor amateurs en een ski
voor professionals.
figuur 7
In een ( F , s ) -diagram staat bij de horizontale as de indrukking s van de
ski, gemeten vanaf de camberhoogte, en bij de verticale as de verticale
kracht F . In figuur 8 staan vier ( F , s ) -diagrammen.
figuur 8 a
34pVoer de volgende opdrachten uit:
− Leg uit welk ( F , s ) -diagram uit figuur 8 (a, b, c of d) overeenkomt met
het ( h , F ) -diagram uit figuur 7.
− Leg uit bij welk type ski (amateur of professional) de meeste arbeid
nodig is om de ski op de grond te drukken.
Voor de wrijvingskracht tussen een ski in beweging en de sneeuw geldt:
F = f F (1)
w d n
Hierin is:
− Fw de wrijvingskracht in N
− fd de dynamische wrijvingscoëfficiënt
− Fn de normaalkracht op de ski in N
De dynamische wrijvingscoëfficiënt is bij langlaufen afhankelijk van de
snelheid.
In Innsbruck bevindt zich een proefopstelling waarmee fd bepaald kan
worden. Met deze proefopstelling meet men bij verschillende snelheden
de normaalkracht en de wrijvingskracht op de ski terwijl die horizontaal
over de sneeuw beweegt met snelheid v .
In figuur 9 zijn resultaten van dergelijke metingen weergegeven.
figuur 9
44pVoer de volgende opdrachten uit:
− Leg uit of uit figuur 9 volgt dat er een recht evenredig verband is
tussen de massa van de langlaufer en de wrijvingscoëfficiënt fd .
− Leg uit of uit figuur 9 volgt dat er een recht evenredig verband is
tussen de snelheid v en de wrijvingscoëfficiënt fd .
opgave 2Cappuccino
Cappuccino bestaat uit espressokoffie en
met stoom opgeschuimde melk. Met een
espressoapparaat kan je koffiezetten en
stoom maken om de melk op te
schuimen.
Het espressoapparaat dat is afgebeeld in
figuur 1 gebruikt voor beide handelingen
één verwarmingselement. Dit
verwarmingselement bevindt zich in de
boiler. Dit is de ketel waarin water (onder
druk) wordt opgewarmd.
Op het voorpaneel van het apparaat
zitten twee knoppen:
− de aan-uitknop: alleen als deze knop aanstaat, werkt het apparaat.
Het verwarmingselement verwarmt dan het water tot een temperatuur
van net onder 100 °C ;
− de stoomknop: als deze knop ook aanstaat, verwarmt het
verwarmingselement water onder druk tot een temperatuur van
120 °C .
Als de aan-uitknop aangezet wordt, gaat het lampje branden. Het lampje
brandt totdat het water de juiste temperatuur heeft. In figuur 2 op de
volgende bladzijde is een gedeelte van het schakelschema met het
verwarmingselement weergegeven. Het apparaat is aangesloten op de
netspanning ( 230 V ). De temperatuurregeling gebeurt met behulp van
thermostaten die in de boiler zijn aangebracht. Een thermostaat kan
gezien worden als een schakelaar die onder een bepaalde temperatuur
gesloten is en boven die temperatuur open is.
Het espressoapparaat bevat drie thermostaten:
− een warmwaterthermostaat: deze is afgesteld op een temperatuur van
iets onder 100 °C;
− een stoomthermostaat: deze is afgesteld op een temperatuur van
120 °C;
− een veiligheidsthermostaat (niet afgebeeld in figuur 2): deze schakelt
het verwarmingselement uit wanneer de temperatuur toch te hoog
wordt doordat een van de andere thermostaten niet goed werkt. Deze
thermostaat is afgesteld op een temperatuur van rond 150 °C .
figuur 2
In de schakeling in figuur 2 is de stoomknop nog niet aangesloten.
Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.
52puitwerkbijlageTeken in de figuur op de uitwerkbijlage de verbindingen die nodig zijn om
de stoomknop op de juiste manier aan te sluiten.
In figuur 2 is de veiligheidsthermostaat nog niet opgenomen. Als de
veiligheidsthermostaat het verwarmingselement uitschakelt, blijft het
lampje branden.
61puitwerkbijlageGeef in de figuur op de uitwerkbijlage een mogelijke positie aan voor de
veiligheidsthermostaat.
Het verwarmingselement levert een nuttig vermogen van 0,80 kW bij een
rendement van 95% . Hieruit volgt dat de weerstand van het element gelijk
is aan 63 Ω .
73pToon dit aan met een berekening.
figuur 3
84pHet verwarmingselement in de boiler bestaat uit een staaf
in spiraalvorm. Zie figuur 3.
De staaf heeft een lengte van 0,60 m . Volgens Silvia is de
staaf van massief nichroom waar de stroom doorheen
loopt. Mara beweert dat de staaf een holle buis is met
daarin een dunnere draad van nichroom.
Geef aan wie er gelijk heeft. Licht je antwoord toe met een
berekening van de diameter van de draad.
opgave 3Poollicht
Lees de onderstaande tekst.
In de gebieden bij de Noordpool en de Zuidpool kun je vaak ’s nachts
gekleurd licht zien. Dit poollicht wordt respectievelijk noorderlicht of
zuiderlicht genoemd (zie figuur 1).
Het poollicht wordt veroorzaakt door een zogenaamd plasma van
positief geladen en negatief geladen deeltjes. Dit plasma verlaat de
zon bij een zonne-uitbarsting (zie figuur 2) en bereikt 17 uur later onze
dampkring.
Als de deeltjes botsen met moleculen in de lucht geeft dit de
spectaculaire lichtverschijnselen van het poollicht.
Het plasma moet een bepaalde minimale snelheid hebben om aan het
gravitatieveld van de zon te kunnen ontsnappen.
94pBereken deze snelheid. Noteer je antwoord in vier significante cijfers.
De afstand die het plasma aflegt van de zon naar de aarde is 1,5 ∙ 1011 m .
102pBereken de gemiddelde snelheid van het plasma over dat traject.
In figuur 3 is de aarde met haar magneetveld te zien. De aarde is op te
vatten als een staafmagneet.
figuur 3
Figuur 3 staat vergroot op de uitwerkbijlage.
111puitwerkbijlageGeef in de figuur op de uitwerkbijlage met een N aan waar de
magnetische noordpool van de aarde zich bevindt.
Als het plasma het aardmagnetisch
veld binnenkomt, gaan geladen
deeltjes van het plasma een
schroefvormige beweging maken om de
magnetische veldlijnen. In figuur 4 is de
baan van één geladen deeltje
weergegeven.
In het rechthoekige kader in figuur 4 is één
omloop van het geladen deeltje om een
veldlijn van het aardmagnetisch veld te
zien. Op de uitwerkbijlage is deze omloop
vereenvoudigd weergegeven, zoals je
deze ziet als je in de richting van het
magnetisch veld kijkt. De richting van de
veldlijn en de component van de snelheid loodrecht op de veldlijn zijn ook
weergegeven.
123puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit:
− Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de richting van de
lorentzkracht op het deeltje.
− Leg uit of het deeltje positief of negatief geladen is.
De snelheid van het deeltje heeft niet alleen een component loodrecht op
de veldlijn, maar ook een component in de richting van de veldlijn. Die
laatste component zorgt ervoor dat het deeltje richting de magnetische
noordpool of zuidpool beweegt. Deze beweging langs de veldlijn levert in
combinatie met de cirkelbeweging om de veldlijn de schroefvormige baan
in figuur 4 op.
132pLeg met behulp van figuur 4 uit waarom de straal van de cirkelbeweging
steeds kleiner wordt naarmate het deeltje dichter bij de pool komt.
Het plasma wordt dus door het aardmagnetisch veld afgebogen naar de
polen en zorgt daar voor het ontstaan van het poollicht. Het poollicht
ontstaat vooral als gevolg van botsingen van de plasmadeeltjes met
zuurstofatomen O en stikstofmoleculen N2 . De volgende processen komen
voor:
− Een aangeslagen N2 -molecuul zendt bij terugvallen een combinatie
van golflengtes uit, die wij zien als de kleur magenta.
− Een aangeslagen O -atoom zendt bij het terugvallen vooral rood licht
uit, tenzij het botst met een N2 -molecuul.
− Bij een botsing tussen een aangeslagen O- atoom en een N2 -molecuul
draagt het N2 -molecuul energie over aan het O -atoom, dat vervolgens
de dominante kleur in het poollicht uitzendt. De fotonen van dit licht
hebben een energie van 2,22 eV .
144pGeef aan wat de dominante kleur in het poollicht is. Bereken daarvoor
eerst de golflengte van de fotonen.
In figuur 5 is het aantal deeltjes per cm3 uitgezet tegen de hoogte.
figuur 5
De dominante kleur in het poollicht ontstaat vooral op hoogtes tussen
ongeveer 100 km en 200 km.
153pVoer de volgende opdrachten uit. Maak daarvoor gebruik van figuur 5:
− Leg uit dat deze kleur op grote hoogte ( > 300 km) nauwelijks ontstaat.
− Geef aan welke kleur op hoogtes kleiner dan 100 km vooral ontstaat.
opgave 4Boomwhackers
Jelle heeft een set van acht boomwhackers. Zie figuur 1. Boomwhackers
zijn kunststof buizen met twee open uiteinden waarmee je muziek kunt
maken. Als je met een boomwhacker ergens tegenaan tikt, ontstaat er
een toon doordat er staande golven in de buis ontstaan. De lengte van de
buis bepaalt de hoogte van de toon.
figuur 1
Jelle meet de frequenties van de grondtoon en de boventonen van buis 1.
Zijn meetresultaten wijken een klein beetje af van wat hij verwacht op
basis van de lengte van de buis. Dit komt doordat de buiken niet exact
samenvallen met de uiteinden van de buis. De afstand tussen de buiken
aan beide uiteinden van de buis wordt de akoestische lengte genoemd.
Deze akoestische lengte bepaalt dus de toonhoogte.
In figuur 2 staat weergegeven welke frequenties vóórkomen in de toon
van buis 1. De meting is gedaan bij een temperatuur van 20 °C .
figuur 2
164pBepaal de akoestische lengte van buis 1 met behulp van figuur 2. Noteer
je antwoord in twee significante cijfers.
Jelle gaat op zoek in de literatuur en vindt de volgende formule voor de
akoestische lengte:
L = L + 2 ⋅ 0,31 ⋅ d (1)
Hierin is:
− La de akoestische lengte van de buis in m
− L de werkelijke lengte van de buis in m
− 0,31 een experimenteel bepaalde correctiefactor
− d de binnendiameter van de buis in m
− 2 het aantal open uiteinden van de buis
172pLeg uit met behulp van formule (1) of de buiken aan de uiteinden van de
buis binnen of buiten de buis vallen.
Jelle meet de lengte en de binnendiameter van de buizen op met een
meetlint. Voor buis 8 vindt hij een lengte van 30,1 cm . Hij meet voor elke
buis een binnendiameter van 4,0 cm .
Jelle bedenkt dat hij de binnendiameter ook kan meten met een
schuifmaat. De meetwaarde voor de binnendiameter wordt dan
nauwkeuriger en kan daardoor worden opgegeven in één significant cijfer
méér dan met het meetlint.
Jelle beweert dat de akoestische lengte, en dus de golflengte van de toon,
nu weergegeven kan worden met een groter aantal significante cijfers.
183pLeg uit of Jelle gelijk heeft.
Jelle wil nu de geluidssnelheid bepalen. Daarom berekent hij, uit zijn
metingen met het meetlint, met behulp van formule (1) de golflengte van
de grondtoon van elke buis. Bovendien meet hij van elke buis de
frequentie f van de grondtoon. Van zijn resultaten maakt hij de grafiek van
figuur 3. Hij geeft hierbij ook de meetonnauwkeurigheid in de frequentie f
aan.
figuur 3
De meetonnauwkeurigheid in de frequentie is vastgesteld op 2 ⋅ 101 Hz.
Dat betekent dat elke frequentie in werkelijkheid 2 ⋅ 101 Hz naar onder of
naar boven kan afwijken. In de grafiek is deze meetonnauwkeurigheid,
ook wel foutmarge genoemd, aangegeven met verticale streepjes van
2 ⋅ 101 Hz onder tot 2 ⋅ 101 Hz boven elk grafiekpunt.
De berekende golflengte kent ook een foutmarge.
192pLeg uit dat de foutmarge in de golflengte te klein is om zichtbaar
weergegeven te kunnen worden in figuur 3.
Om de geluidssnelheid zo nauwkeurig mogelijk te bepalen voert Jelle een
coördinatentransformatie uit. Het resultaat hiervan is weergegeven in
figuur 4.
Figuur 4 staat ook op de uitwerkbijlage.
figuur 4
Jelle voert de volgende drie handelingen uit:
− Hij zet bij de horizontale as het juiste bijschrift.
− Hij trekt in het diagram twee rechte lijnen door de oorsprong die net
binnen alle foutmarges liggen.
− Hij bepaalt hieruit in twee significante cijfers de minimale en de
maximale geluidssnelheid die uit de metingen volgen.
204puitwerkbijlageVoer de drie bovenstaande handelingen van Jelle uit in de figuur op de
uitwerkbijlage.
opgave 5Ramsauer en Townsend
Het botsende-deeltjesmodel is een veelgebruikt model om verschijnselen
in materie te verklaren. In dit model worden atomen en elektronen
beschouwd als kleine, harde knikkertjes die tegen elkaar botsen.
Het botsende-deeltjesmodel is een klassiek model.
In een experiment wordt een bundel elektronen door een gas geschoten.
Dit proces beschrijven we met een model waarin de gasatomen stilstaan
en de elektronen bewegen. De intensiteit van de bundel is gedefinieerd
als de grootte van de elektronenstroom in de richting van de bundel per
oppervlakte-eenheid. De bewegende elektronen kunnen botsen met de
gasatomen, waardoor de intensiteit van de bundel kan veranderen. Zie
figuur 1 voor een schematische tekening.
figuur 1
212pLeg uit met behulp van het botsende-deeltjesmodel dat de intensiteit van
de bundel afneemt naarmate er een grotere afstand door het gas is
afgelegd.
De transmissie T is de verhouding tussen de intensiteit van de bundel
nadat hij een afstand x door het gas heeft afgelegd en de intensiteit van
de bundel bij de bron. Volgens het botsende-deeltjesmodel geldt voor T :
T e− x (1)
Hierin is:
− x de afstand die door de bundel in het gas is afgelegd in m
− l de gemiddelde vrije weglengte, dat wil zeggen de gemiddelde
afstand die een elektron aflegt voordat het botst, in m
− I de intensiteit van de bundel na een afstand x in m−2 s−1
− I0 de intensiteit van de bundel bij de bron in m−2 s−1
In figuur 2 is T als functie van x weergegeven. In de figuur staat ook l
aangegeven.
figuur 2
De vorm van het ( T , x )-diagram is vergelijkbaar met die van een
doorlaatkromme bij ioniserende straling.
Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.
223puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit:
− Geef in de figuur op de uitwerkbijlage de grootte van de
halveringsdikte d ½ aan.
− Toon aan, met behulp van een berekening, dat l in figuur 2 correct is
weergegeven.
Quantumrevolutie: het Ramsauer-Townsend-effect
Rond 1920 deden de wetenschappers Carl Ramsauer en John Townsend
(zie figuur 3), los van elkaar, een verrassende ontdekking. Bij
experimenten met xenongas bleek de transmissie T van de elektronen
sterk afhankelijk te zijn van de energie van de elektronen Eelek .
figuur 3
Figuur 4 is een ( T, Eelek )-grafiek van metingen aan xenongas. Bij een
elektronenenergie Eelek van 1,0 eV gebeurt er iets verrassends: de
elektronen lijken plotseling geen hinder meer te ondervinden van de
xenonatomen. De transmissie wordt dan gelijk aan 1 , ongeacht de grootte
van de afgelegde weg.
figuur 4
Om dit effect te verklaren beschreven Ramsauer en Townsend het
elektron niet als een deeltje, maar als een golf met bijbehorende
debroglie-golflengte.
233pBereken de debroglie-golflengte van een vrij elektron met een energie van
1,0 eV .
Ramsauer en Townsend benaderden het xenonatoom als een
eendimensionale energieput met een diepte Eput en een lengte L . In
figuur 5 is schematisch de situatie getekend van een elektron dat een
xenonatoom passeert. Het elektron beweegt van gebied I (voor het
xenonatoom) via gebied II (het xenonatoom) naar gebied III (na het
xenonatoom).
figuur 5
Bij bepaalde waarden van Eelek blijkt de golf van het elektron te resoneren
in gebied II . Deze resonantie leidt ertoe dat het elektron ongehinderd zijn
weg kan vervolgen naar gebied III .
Resonantie in gebied II treedt op als aan de volgende voorwaarde wordt
voldaan:
L = n II (2)
Hierin is:
− L de diameter van het xenonatoom
− n een positief geheel getal (1, 2, 3, …)
− λ de debroglie-golflengte van het elektron in gebied II
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.
Voor de kinetische energie van het elektron in gebied II geldt:
E = E + E (3)
kin elek put
In figuur 4 zijn meerdere pieken te zien waarbij T = 1 . Er zijn dus
verschillende waarden van Eelek waarbij resonantie optreedt. Dit is te
verklaren met behulp van de formules (2) en (3) en ten minste één
formule uit het informatieboek.
244pGeef deze verklaring.
De waarden van de energie Ekin in gebied II, waarbij resonantie optreedt,
komen overeen met de energieniveaus van een deeltje in een
eendimensionale energieput met oneindig hoge wanden. Neem aan dat
de eerste piek in figuur 4 hoort bij n = 1 in de formule van deze
energieniveaus.
De diameter van het xenonatoom is 0,22 nm .
254pBereken Eput in eV. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante
cijfers.
Bronvermelding
Een opsomming van de in dit examen gebruikte bronnen, zoals teksten en afbeeldingen, is te vinden in het bij dit examen
behorende correctievoorschrift.