opgave 1Elektrische scooter
Mees heeft een elektrische scooter
aangeschaft om daarmee naar school te
reizen. Zie figuur 1. In het accupakket
van de scooter kan volgens de fabrikant
een energie van 1,74 kWh opgeslagen
worden.
Het opladen van de accu gebeurt met
een oplader die via een
elektriciteitskabel aangesloten wordt op
de netspanning van 230 V . De oplader
zet de netspanning om naar de
laadspanning. Mees plaatst een
stroommeter tussen het stopcontact en de oplader en meet de
stoomsterkte tijdens het opladen.
Op de uitwerkbijlage staat een schematische tekening van het
stopcontact, de stroommeter en de kabels naar de oplader en scooter.
11puitwerkbijlageMaak het schakelschema op de uitwerkbijlage compleet zodat de
stroommeter de juiste stroomsterkte meet.
Om 15.20 uur sluit Mees de scooter aan op de oplader. Op dat moment is
de accu nog voor 35% opgeladen. Van het opladen heeft Mees een
( I , t )-diagram gemaakt, zie figuur 2. Deze figuur staat vergroot op de
uitwerkbijlage.
figuur 2
Om 21.00 uur geeft de scooter aan dat de accu 100% opgeladen is. Mees
bepaalt hoeveel energie er is gebruikt om de accu op te laden. Hij vindt
1,3 kWh.
23puitwerkbijlageToon met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage aan dat deze waarde
klopt.
34pBereken het rendement van het opladen. Noteer je antwoord in het juiste
aantal significante cijfers.
In het achterwiel van de scooter zit een elektromotor met een maximaal
vermogen van 1,5 kW . De motor is elektronisch begrensd, waardoor de
scooter maximaal 25 km h-1 kan rijden.
Mees wil de maximum snelheid van scooter weten als deze onbegrensd
zou zijn. Hij bepaalt de rol- en luchtweerstandskracht om deze snelheid te
kunnen bepalen.
Voor het bepalen van de rolweerstandskracht voert Mees een experiment
uit. Hij meet bij verschillende beginsnelheden v0 de afstand s die nodig is
om tot stilstand te komen zonder de remmen te gebruiken. Hij voert de
metingen uit op een vlakke, rechte, geasfalteerde weg. Omdat het die dag
een beetje waait, besluit Mees de metingen ook uit te voeren in
tegenovergestelde bewegingsrichting. Van zijn metingen heeft hij een
tabel gemaakt (zie figuur 3).
figuur 3
v (kmh−1 ) 0 | s (m) heen | s (m) terug | s (m) gem |
| 4 | 4,2 | 5,2 | 4,7 |
| 5 | 6,6 | 8,0 | 7,3 |
| 6 | 8,5 | 10,0 | 9,3 |
| 7 | 10,8 | 12,8 | 11,4 |
| 8 | 14,4 | 17,0 | 15,7 |
| 9 | 18,2 | 20,1 | 19,1 |
42pLeg uit of Mees op de heenweg wind mee of wind tegen had.
52p
62pMees breidt de tabel uit met een
kolom voor de kinetische energie. Hij
gebruikt daarbij de totale massa van
zichzelf en de scooter samen.
Vervolgens maakt hij een
( Ek , sgem ) -diagram en tekent hij een
trendlijn door de eerste meetpunten om de
rolweerstandskracht 𝐹 , te bepalen. Zijn
resultaat is te vinden in figuur 4.
Leg uit waarom Mees alleen de eerste
meetpunten kiest voor de trendlijn.
Bepaal de grootte van 𝐹 , . Noteer je
antwoord in twee significante cijfers.
Mees vereenvoudigt de formule voor F w,lucht
F w,lucht = k ⋅ v2
73pLeid de eenheid van k af in (grond)eenheden van het SI zoals vermeld in
Binas-tabel 3a of Sciencedata-tabel 1.3a.
Mees bepaalt de (getals)waarde van de constante k . Hierbij gebruikt hij
een waarde van 1,2 voor de luchtweerstandscoëfficiënt cw . Ook gebruikt
hij de schematische tekening van de scooter die is weergegeven op de
uitwerkbijlage.
Mees vindt voor de constante k een waarde van 0,4.
84puitwerkbijlageToon met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage aan dat deze waarde
klopt.
Mees realiseert zich dat het verband tussen het vermogen dat de scooter
levert ( Pmotor ) en de snelheid van de scooter ( v ) te beschrijven is met de
volgende formule:
Pmotor = Fw,rol ⋅ v + k ⋅ v3
Omdat de bepaling in vraag 8 niet erg nauwkeurig uitgevoerd kan worden,
lukt het Mees niet om de constante k op meer dan één significant cijfer te
bepalen. Hij wil nagaan gaan wat hiervan de invloed is op de bepaling van
de maximale snelheid van zijn scooter als die onbegrensd zou zijn. Met
behulp van formule 2 maakt hij figuur 5, waarbij hij voor verschillende
mogelijke waarden van k het verband tussen Pmotor en de snelheid
berekend heeft. Figuur 5 staat ook op de uitwerkbijlage.
figuur 5
Met behulp van figuur 5 kan Mees de ondergrens en bovengrens bepalen
van de maximale snelheid van zijn scooter als die onbegrensd zou zijn.
93puitwerkbijlageBepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage zowel deze
ondergrens als deze bovengrens, beide in kmh-1 . Noteer je antwoorden
in drie significante cijfers.
opgave 2Lise Meitner
figuur 1
Lise Meitner (1878-1968, zie figuur 1) werd
in totaal 48 maal genomineerd voor een
Nobelprijs, maar kreeg de prijs nooit.
Rond 1910 deed Meitner onderzoek naar de
eigenschappen van β− -straling. Ze
gebruikte hierbij preparaten met thorium.
Het bestaan van isotopen was in die tijd
nog niet bekend. Nu weten we dat het
preparaat niet alleen het instabiele
Thorium-232 bevatte, maar ook alle
vervalproducten van Thorium-232 (ook wel
de vervalreeks genoemd). Deze vervalreeks
eindigt bij het stabiele isotoop Pb-208 .
In de vervalreeks van Th-232 zitten meerdere β− -stralers. Meitner was
vooral geïnteresseerd in twee specifieke β− -stralers. Omdat Meitner nog
niet in staat was om de afzonderlijke isotopen in het preparaat te
identificeren, noemde ze deze β− -stralers ‘ Th-A ’ en ‘ Th-B ’. Zie figuur 2,
de isotoop ’ X ’ is een onbekende α -straler.
figuur 2
Wat Meitner ‘ Thorium A ’ noemde blijkt een isotoop van lood te zijn.
103pLeg dit uit aan de hand van de laatste drie vervalprocessen van de
vervalreeks in figuur 2.
Een aantal van de gebruikte thorium-preparaten wordt nog steeds
bewaard in het Max Planck Instituut in Berlijn. De activiteit van de twee
β− -stralers, die beide een halveringstijd hebben van minder dan één dag,
is in meer dan 100 jaar nauwelijks afgenomen.
112pLeg uit waardoor de activiteit van de twee β− -stralers constant is
gebleven.
Elk van de isotopen in de vervalreeks zendt gammafotonen uit met
specifieke energieën. Daardoor straalt een Th-232 -preparaat een
herkenbaar spectrum van gamma-energieën uit. Figuur 3 geeft
meetwaarden weer van een Th-232 -preparaat.
figuur 3
Meitner gebruikte ijzeren plaatjes (dikte 2,5 mm ) om haar
meetinstrumenten van te maken. Dit materiaal houdt slechts een klein
gedeelte van de gammafotonen van het preparaat tegen. In figuur 4 is
voor ijzer de relatie weergegeven tussen de energie van de
gammastraling en de halveringsdikte.
figuur 4
124pBepaal hoeveel procent van de meest doordringende gammafotonen uit
een Th-232 -preparaat wordt tegengehouden door het ijzer.
Voor haar onderzoek naar β− -deeltjes ontwierp Meitner de zogenaamde
magnetische spectrometer. Zie figuur 5.
figuur 5
Het thorium-preparaat is geplaatst bij I in figuur 5. Vervolgens wordt er
een vacuüm gecreëerd in de spectrometer. De β− -straling komt door een
spleet ( II in figuur 5) met hoge snelheid een halfronde ruimte in. Onder
invloed van een sterk homogeen magnetisch veld voeren de β- -deeltjes
een eenparige cirkelbeweging uit, waarna ze bij III op een fotogevoelige
plaat terechtkomen. Op de plaats waar de β− -deeltjes het fotogevoelige
materiaal treffen, vindt een verkleuring plaats. De verkleuring is een maat
voor het aantal deeltjes dat op die locatie de plaat heeft getroffen.
Figuur 5 staat vereenvoudigd op de uitwerkbijlage.
133puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit op de uitwerkbijlage:
− Geef met een pijl de richting aan van de Lorentzkracht die in punt P op
het β− -deeltje werkt.
− Geef de richting aan van het magnetisch veld in de spectrometer. Licht
je keuze toe.
Met haar magnetische spectrometer deed Meitner onderzoek aan de twee
β− -stralers Th-A en Th-B . In figuur 6 is het meetresultaat van haar
onderzoek, de fotogevoelige plaat, weergegeven. De linkerkant van de
plaat bevond zich in de opstelling het dichtst bij de spleet ( II in figuur 5).
figuur 6
Voor de straal van de cirkelbaan die een bètadeeltje aflegt in de
spectrometer geldt:
Hierin is:
− r de straal van de cirkelbaan
− p de impuls van het β- -deeltje
− B de sterkte van het magnetisch veld in de spectrometer
− q de lading van het β- -deeltje
145pVoer de volgende opdrachten uit:
− Leid formule (1) af met behulp van formules uit het informatieboek.
− Leg met behulp van formule (1) en figuur 6 uit welke β− -straler, Th-A
of Th-B , de meest energierijke β− -deeltjes produceert.
In eerdere onderzoeken werd via vergelijkbare experimenten het gedrag
van α -deeltjes onderzocht. Hierbij produceerde elke α -straler een dunne
scherpe lijn. Meitner was daarom erg verrast toen ze geen scherpe lijnen
waarnam, maar brede verkleurde gebieden (zie figuur 6). Dit leek direct in
te gaan tegen de wet van behoud van energie, want Meitner ging ervan uit
dat er tijdens bètaverval een vaste hoeveelheid energie vrijkwam voor het
β− -deeltje.
Het duurde nog vele jaren voordat deze baanbrekende waarnemingen van
Meitner verklaard konden worden. Bij β− -verval ontstaat naast het
β− -deeltje namelijk nog een tweede deeltje, het neutrino.
Neutrino’s krijgen tijdens bètaverval niet allemaal dezelfde hoeveelheid
energie mee.
152pLeg uit hoe dit volgt uit de meetresultaten van figuur 6.
opgave 3Dualiteit
Een belangrijk principe in de quantumfysica is de golf-deeltjedualiteit.
In deze opgave passen we dit dualiteitsprincipe toe op het dubbelspleet-
experiment met licht. In dit experiment valt zichtbaar licht met één
golflengte op twee smalle spleten en ontstaat op een scherm achter de
spleten een interferentiepatroon van maxima en minima. Zie figuur 1.
figuur 1
161pGeef de naam van het soort interferentie dat optreedt bij de pijl op het
scherm in figuur 1.
Bij het dubbelspleet-experiment kan het interferentiepatroon alleen
ontstaan als er bij elk van de twee spleten buiging optreedt.
173pVoer de volgende opdrachten uit:
− Leg uit in welke orde van grootte de breedte van de spleten maximaal
mag zijn om het patroon van figuur 1 mogelijk te maken. Kies hierbij
uit: mm, μ m, nm, pm .
− Geef aan wat je op het scherm zou zien als er geen buiging zou zijn.
Een moderne variant van het dubbelspleetexperiment is het zogenaamde
kofferexperiment van de Universiteit Twente. Met dit kofferexperiment kan
bijvoorbeeld tijdens een les natuurkunde geëxperimenteerd worden. De
koffer bevat een opstelling met een laser. De laserbundel wordt gericht op
een filter dat slechts een heel klein gedeelte van de fotonen doorlaat. De
fotonen die worden doorgelaten gaan vervolgens door een dubbelspleet.
In het gebied achter de dubbelspleet tellen 100 detectoren op een rij de
inkomende fotonen. Zie figuur 2.
figuur 2
De aanwezigheid van de filter zorgt ervoor dat het vermogen van het
laserlicht ( λ= 635 nm ) achter de filter extreem laag is, 5 ⋅ 10−10 W.
Hierdoor zal in de praktijk op elk tijdstip gemiddeld maar één foton te
vinden zijn in het gebied tussen de filter en de dubbelspleet.
185pToon met een berekening aan dat dit klopt.
Het aantal getelde fotonen per detector ( nfoton ) kan tijdens het experiment
zichtbaar gemaakt worden in een diagram. Hoe langer het experiment
duurt, hoe meer fotonen door de spleten zijn gegaan en hoe duidelijker
een patroon van pieken en dalen in het diagram zichtbaar wordt.
figuur 3
gedetecteerd. Uit figuur 3 volgt dat de kans (of waarschijnlijkheid) dat een
foton in de centrale piek (van detector 43 tot en met detector 55)
terechtkomt 47% is.
192pLeg uit hoe je deze kans kunt bepalen.
Bente is aanwezig bij het kofferexperiment in haar klas. Zij vraagt zich af
wat er gebeurt wanneer het allereerste foton door de opstelling gaat.
Omdat het patroon van figuur 3 dan nog moet worden opgebouwd, denkt
ze dat de kans 13% is dat de middelste detectoren (43 tot en met 55) dit
eerste foton detecteren.
202pLeg uit of Bente gelijk heeft.
In het kofferexperiment vertoont licht zowel golfgedrag als
deeltjesgedrag (golf-deeltjedualiteit).
212pVoer de volgende opdrachten uit:
− Geef een voorbeeld van het golfgedrag van licht tijdens het
kofferexperiment.
− Geef een voorbeeld van het deeltjesgedrag van licht tijdens het
kofferexperiment.
opgave 4Latin American Tower
Op 19 september 1985 trilde de grond onder
Mexico-Stad hevig gedurende drie minuten. Vele
gebouwen stortten in, maar de 182 m hoge Latin
American Tower (zie figuur 1) doorstond de
aardbeving zonder noemenswaardige schade.
Hetzelfde gold voor de meeste lage gebouwen in de
stad.
Gebouwen hebben eigenfrequenties die gemeten
kunnen worden. Wanneer een gebouw tijdens een
aardbeving begint te trillen in zijn laagste
eigenfrequentie (de grondtoon, fgrond ), kunnen er
ernstige beschadigingen aan het gebouw optreden.
De ( u , t )-grafiek in figuur 2 laat een meting zien van de horizontale
uitwijking van de top van de Latin American Tower na een kleinere
aardbeving dan die van 1985. De toren trilde daarbij in haar grondtoon.
figuur 2
Figuur 2 is vergroot weergegeven op de uitwerkbijlage.
223puitwerkbijlageBepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de frequentie van
de grondtoon van de Latin American Tower. Noteer je antwoord in drie
significante cijfers.
Op de uitwerkbijlage is de beweging van de top van de toren in de eerste
seconden van de meting te zien.
234puitwerkbijlageBepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de gemiddelde
versnelling van de top van de Latin American Tower in het traject van
u = 0,20 m naar u = 0 m. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Voor haar profielwerkstuk onderzoekt Sara het trilgedrag van de Latin
American Tower. Het trilgedrag van hoge gebouwen laat ook boventonen
zien.
Bij een liniaal die aan één kant is ingeklemd zijn de grond- en boventonen
Hierin is:
− f de frequentie van de grond- of boventoon
− n een geheel getal dat verwijst naar de grond- of boventoon
− v de golfsnelheid
− l de lengte van de liniaal
242pLeid formule (1) af met behulp van formules uit het informatieboek.
In figuur 3 zijn twee van de gemeten boventonen van de Latin American
Tower weergegeven.
figuur 3
Sara formuleert de hypothese dat de verhouding tussen de eerste en de
tweede boventoon van de Latin American Tower overeenkomt met die van
een liniaal die aan één kant is ingeklemd.
254pToon aan of Sara’s hypothese klopt binnen een marge van 10%.
Van een groot aantal gebouwen zijn zowel de hoogte h als de
grondfrequentie fgrond bepaald. In figuur 4 zijn deze meetwaarden uitgezet
in een grafiek. In de grafiek is ook de trendlijn getekend. Deze geeft het
gemeten verband weer tussen de grootheden h en fgrond .
grondfrequentie ( Hz ) | hoogte ( m ) |
| 0,5 | 96 |
| 1,5 | 32 |
| 2,5 | 20 |
| 4,0 | 12 |
Sara vermoedt dat de trendlijn in figuur 4 een omgekeerd evenredig
verband laat zien. Ze bepaalt van een aantal punten op de trendlijn de
coördinaten. Haar resultaten zijn in figuur 5 weergegeven. Deze tabel
staat ook op de uitwerkbijlage.
262pToon met behulp van de tabel op de bijlage aan of de vier punten aan een
omgekeerd evenredig verband voldoen.
Tijdens de aardbeving van 1985 begon de zachte bodem onder Mexico-
Stad heftig te trillen. Vooral gebouwen met een hoogte tussen 25 m en
70 m liepen hierbij grote schade op. Uit dit gegeven kan, met behulp van
de figuur op de uitwerkbijlage, bepaald worden tussen welke twee
waarden de frequentie van de bodemtrillingen waarschijnlijk heeft
gelegen.
273puitwerkbijlageBepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage deze minimum- en
maximumfrequentie. Geef in de figuur iedere frequentie aan met een
verticale lijn.
Bronvermelding
Een opsomming van de in dit examen gebruikte bronnen, zoals teksten en afbeeldingen, is te vinden in het bij dit examen
behorende correctievoorschrift.