opgave 1Shorttrack
Tijdens de Olympische Spelen in
2018 won Suzanne Schulting (zie
figuur 1) een gouden medaille op de
kilometer shorttrack in een tijd van
1 min 29,80 s .
Volgens de reglementen van de
Internationale Schaatsunie heeft een
shorttrackbaan een lengte van
111,11 m . Bij de kilometer shorttrack
schaatst een schaatser negen
ronden.
13pBereken de gemiddelde snelheid van Schulting tijdens de race. Noteer je
antwoord in het juiste aantal significante cijfers.
In figuur 2 zijn de doorkomsttijden van Schulting weergegeven. Deze
figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
figuur 2
Op de eerste drie ronden na schaatste Schulting rondjes met een vrijwel
constante snelheid.
22puitwerkbijlageBepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de tijdwinst die
Schulting zou hebben behaald als zij de hele race met deze snelheid had
gereden.
Tijdens het schaatsen moet een schaatser twee krachten overwinnen: de
luchtweerstandskracht en de schuifwrijvingskracht. Voor de
schuifwrijvingskracht Fw,s tijdens het schaatsen geldt:
Hierin is:
− Fw,s de schuifwrijvingskracht
− fd de dynamische wrijvingscoëfficiënt
− FN de normaalkracht
Hieruit volgt dat het nuttige vermogen dat Schulting moet leveren om een
constante snelheid v te schaatsen, berekend kan worden met de
volgende formule: P = fd mgv + ½ cw A ρ v3
33pLeid formule (2) af met behulp van formule (1) en formules uit het
informatieboek.
De lengte van Suzanne Schulting is
1,70 m en haar massa bedraagt 64 kg .
Zij schaatst in de zogenaamde
schaatshouding. Deze is schematisch
weergegeven in figuur 3.
De dynamische wrijvingscoëfficiënt
heeft voor het contactoppervlak tussen
schaats en ijs een waarde van 0,015 .
De luchtweerstandscoëfficiënt heeft in
de schaatshouding een waarde van
0,80 .
43pVoer de volgende opdrachten uit:
− Maak met behulp van figuur 1 en 3 een beredeneerde schatting van
de frontale oppervlakte in de schaatshouding.
− Bereken daarmee het nuttige vermogen dat Schulting levert bij een
constante snelheid van 11,9 m s-1 .
Schaatsers gaan, net als fietsers, altijd schuin
door een bocht. Deze beweging is te
benaderen als een eenparige cirkelbeweging.
Figuur 4 is een foto van Schulting in de bocht
tijdens haar race. Deze figuur is ook
weergegeven op de uitwerkbijlage. In punt P
oefent Schulting met haar schaats een kracht
uit op het ijs. De werklijn van de reactiekracht
van het ijs op Schulting is weergegeven in de
figuur. Deze reactiekracht en de zwaartekracht
leveren samen de resulterende kracht op
Schulting.
De bocht is een deel van een cirkel met een straal van 8,20 m .
55puitwerkbijlageVoer de volgende opdrachten uit:
− Construeer in de figuur op de uitwerkbijlage de resulterende kracht op
Schulting en bepaal de grootte van deze kracht. Laat alle krachten
aangrijpen in punt P en noteer je antwoord in twee significante cijfers.
− Bereken met deze kracht de snelheid waarmee Schulting door de
bocht beweegt.
opgave 2Geluidssnelheid
In deze opgave worden twee experimenten besproken om de
geluidssnelheid te bepalen: één voor de geluidssnelheid in lucht en één
voor de geluidssnelheid in water.
figuur 1
Geluidssnelheid in lucht
Om de geluidssnelheid in lucht te
bepalen wordt een hoge buis gevuld
met water. Zie figuur 1.
De bovenkant van de buis is open.
Daarboven trilt een stemvork met een
frequentie f . Via een kraantje onderaan
de buis loopt de buis langzaam leeg.
Na enige tijd bereikt de waargenomen
geluidssterkte een maximum. Er treedt
dan resonantie op. Vervolgens neemt de
geluidssterkte weer af, waarna een tijdje
later een tweede maximum wordt
bereikt.
De gemeten afstanden h1 en h2 horen bij
de waterniveaus waarbij resonantie
optreedt.
63pLeid een formule af waarmee je de geluidssnelheid v kunt berekenen uit f ,
h1 en h2 .
De buik, die bij resonantie bij het open uiteinde van de buis ontstaat, ligt
op enige afstand Δ L buiten de buis.
73pLeg uit hoe je met de resultaten van dit experiment Δ L kunt bepalen .
Geluidssnelheid in water
Voor het bepalen van de geluidssnelheid in water worden een
onderwatermicrofoon en een onderwaterluidspreker in een bak water
gedompeld. In figuur 2 is de opstelling schematisch weergegeven. De
luidspreker wordt aangesloten op een toongenerator.
figuur 2
In figuur 3 is het signaal weergegeven van de toongenerator. De
horizontale as is ingesteld op 100 μ s/cm .
figuur 3
83pBepaal zo nauwkeurig mogelijk de frequentie van de toongenerator.
Noteer je antwoord in drie significante cijfers.
In eerste instantie bevindt de microfoon zich direct voor de luidspreker.
Vervolgens wordt de afstand steeds groter gemaakt. Het microfoonsignaal
verschuift daarbij steeds verder naar rechts, terwijl het luidsprekersignaal
gelijk blijft. Alleen het geluid dat de microfoon rechtstreeks bereikt is
weergegeven. Eventuele reflecties zijn weggefilterd.
Figuur 4 toont de signalen op het moment dat de afstand tussen
luidspreker en microfoon 24 cm is. Tijdens het verplaatsen van de
microfoon is het microfoonsignaal nog niet in fase geweest met het
signaal van de toongenerator.
figuur 4
93pBepaal de geluidssnelheid die volgt uit figuur 4. Noteer je antwoord in
twee significante cijfers.
opgave 3Opslag van energie
Karel en Bas doen voor hun profielwerkstuk een onderzoek naar
alternatieve manieren van energieopslag. Ze vinden op internet een
filmpje waarbij zwaarte-energie gebruikt wordt om energie op te slaan: er
is een kabelbaan waaraan grote bakken hangen waarin grind vervoerd
kan worden. Zie figuur 1.
figuur 1
Wanneer duurzame energiebronnen meer elektrische energie produceren
dan nodig is, wordt deze overtollige energie gebruikt om grind naar boven
te verplaatsen. Op de momenten dat er extra elektrische energie nodig is,
wordt dit grind gebruikt om de kabelbaan aan te drijven. Deze laat weer
een dynamo draaien waarmee elektrische energie wordt opgewekt.
Karel en Bas schatten dat de hoogte van de kabelbaan 65 m is en dat de
maximale hoeveelheid grind die naar boven gebracht kan worden
1200 ton is. Ze willen de hoeveelheid energie die de kabelbaan kan
opslaan vergelijken met een standaard AA-batterij ( 1,5 V ) die een
capaciteit van 2200 mAh heeft. De capaciteit geeft aan hoe lang de
batterij een bepaalde stroomsterkte kan leveren.
102pLeg uit dat mAh een eenheid is van elektrische lading.
114pVoer de volgende opdrachten uit:
− Bereken de hoeveelheid elektrische energie die een AA-batterij bevat.
− Bereken hoeveel AA-batterijen de kabelbaan volgens Karel en Bas
maximaal kan vervangen.
Karel en Bas besluiten voor hun profielwerkstuk een miniatuurkabelbaan
te ontwerpen. Ze bouwen langs de trap op school een simpele kabelbaan
die bestaat uit 46 bakjes. Van deze 46 bakjes bevinden zich steeds 36
bakjes langs het schuine gedeelte: 18 bakjes bewegen omhoog en 18
naar beneden. De overige 10 bakjes bevinden zich op de vlakke
gedeelten bovenaan en onderaan de trap. In figuur 2 is de kabelbaan
schematisch gegeven. Deze figuur is niet op schaal.
figuur 2
Eerst onderzoeken Karel en Bas hoe ze met de kabelbaan elektrische
energie kunnen opwekken. Daarvoor hebben ze een systeem gemaakt dat
elk bakje, dat bovenaan langskomt, vult met 140 gram zand. Onderaan
worden de bakjes weer automatisch geleegd.
De kabelbaan drijft een dynamo aan waar Karel en Bas lampjes op
aansluiten. De dynamo blijkt genoeg elektrische energie te leveren om
vier lampjes van 1,2 W goed te laten branden. Zolang Karel en Bas de
bakjes blijven vullen beweegt de kabelbaan met een snelheid van
2,6 ms−1 .
124pBereken met behulp van de gegevens in figuur 2 het rendement waarmee
zwaarte-energie wordt omgezet naar elektrische energie.
Karel en Bas gebruiken een zelfgemaakte dynamo, waarvan het
bovenaanzicht schematisch is weergegeven in figuur 3. Op de draaischijf
van de dynamo zijn zes magneten bevestigd. De noordpolen van de
magneten zijn gearceerd en met een N aangegeven.
figuur 3
Karel en Bas meten de spanning van de dynamo gedurende enige tijd. Zie
figuur 4. Tijdens deze meting heeft de kabelbaan een andere snelheid dan
bij de vorige vraag.
figuur 4
133pBepaal met behulp van de figuren 3 en 4 de snelheid waarmee de
kabelbaan nu beweegt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Karel en Bas onderzoeken hoe de grootte en de frequentie van de
opgewekte spanning gevarieerd kunnen worden. Op de uitwerkbijlage
staan mogelijke aanpassingen aan de kabelbaan met dynamo.
143puitwerkbijlageGeef in de tabel op de uitwerkbijlage voor elke aanpassing aan welk effect
deze heeft op:
− de grootte van de opgewekte spanning
− de frequentie van de opgewekte spanning
Karel en Bas willen met behulp van hun zelfgemaakte kabelbaan een
smartphone opladen. Zoals in figuur 4 te zien is, is de opgewekte
spanning een wisselspanning. Dit betekent dat de spanning voortdurend
van teken wisselt, met als gevolg dat de stroom ook voortdurend van
richting verandert. Dat is voor het opladen van een smartphone een
probleem, omdat hiervoor een zogenaamde gelijkstroom nodig is. Dat wil
zeggen dat de stroom altijd in dezelfde richting door de smartphone loopt.
Om de stroom gelijk te richten maken Karel en Bas een schakeling met
vier diodes. In figuur 5 staan drie mogelijke schakelingen getekend.
figuur 5
151pGeef aan welke van de drie schakelingen in figuur 5 de juiste is.
Tenslotte willen Karel en Bas hun opstelling gebruiken voor de opslag van
energie, dus om elektrische energie om te zetten in zwaarte-energie. De
dynamo wordt dan een elektromotor. Ze sluiten een computer aan op de
kabelbaan waarmee ze de spanning over de spoel kunnen regelen.
In figuur 6 staat het ( U,t )-diagram weergegeven van de spanning
waarmee Karel en Bas een stilstaande kabelbaan op gang brengen.
figuur 6
162pVoer de volgende opdrachten uit:
− Leg uit waarom er een wisselspanning nodig is.
− Leg uit waarom de frequentie van de wisselspanning in het begin moet
toenemen.
opgave 4Lycopeen
Lycopeen ( C40 H56 ) is een rode kleurstof die bijvoorbeeld in tomaten
voorkomt. Een lycopeenmolecuul bestaat onder meer uit een lange keten
van 22 koolstofatomen. Zie figuur 1.
figuur 1
Het absorptiespectrum van lycopeen staat afgebeeld in figuur 2.
figuur 2
De dubbele bindingen in de lange keten tussen de punten P en Q in
figuur 1 leveren de zogenaamde π -elektronen. Deze elektronen kunnen
vrij bewegen tussen P en Q. We beschouwen het lycopeenmolecuul
daarom als een één-dimensionale energieput, gevuld met 22
π -elektronen. We nemen aan dat de lengte van de put gelijk is aan de
afstand L , de afstand tussen P en Q langs de keten. Dus L is 21 keer zo
lang als de gemiddelde afstand van 1,4 ⋅ 10−10 m tussen twee
koolstofatomen in de keten. Op basis hiervan kan de grootste golflengte
berekend worden die door het molecuul geabsorbeerd kan worden.
175pToon met een berekening aan dat deze maximale golflengte groter is dan
de waarde die volgt uit figuur 2.
Een mogelijke verklaring voor het verschil tussen de berekende en de
gemeten golflengte is dat de effectieve putlengte, waarin de elektronen
kunnen bewegen, niet gelijk is aan L .
182pLeg uit of de effectieve putlengte volgens deze verklaring groter of kleiner
is dan L .
opgave 5Stikstof-13
Stikstof-13 kan gebruikt worden als tracer voor opnames van het hart
tijdens een PET-scan. Doordat stikstof-13 een korte halveringstijd heeft,
moet het voor een onderzoek ter plekke gemaakt worden. Dit doet men
door zuurstof-16 te beschieten met een proton. Hierbij ontstaan
stikstof-13 en een ander deeltje.
193pGeef de kernreactievergelijking voor de productie van stikstof-13.
Voor het onderzoek wordt een hoeveelheid stikstof-13 geïnjecteerd met
een activiteit van 0,74 GBq . Voordat de opname gemaakt kan worden
moet het stikstof-13 voldoende opgenomen zijn door het hart. Op het
moment dat de opname gemaakt kan worden is de activiteit nog
0,56 GBq .
203pBereken hoe lang na het injecteren van de stikstof-13 de opname is
gemaakt.
opgave 6H -alfafilter
Verreweg het meeste licht dat we waarnemen van de zon wordt
uitgezonden vanuit de laag van de zon die fotosfeer heet. De
planckkromme hiervan is weergegeven in figuur 1.
figuur 1
213pBepaal de temperatuur van de fotosfeer volgens figuur 1.
figuur 2
223pOp foto’s van de zon zijn zogenaamde
zonnevlekken te zien. Zie figuur 2. In zo’n
zonnevlek is de uitgestraalde intensiteit van
de fotosfeer 16 keer zo klein als buiten een
zonnevlek.
Beredeneer hoeveel keer zo laag de
temperatuur van de fotosfeer in een
zonnevlek is ten opzichte van de
temperatuur van de fotosfeer daarbuiten.
De relatief dunne laag in de zon boven de fotosfeer heet de chromosfeer.
Zie figuur 3. De chromosfeer is een gasvormige laag die vooral bestaat uit
waterstof.
figuur 3
De chromosfeer is onder normale omstandigheden heel moeilijk
waarneembaar doordat deze wordt overstraald door de veel fellere
fotosfeer. Om de chromosfeer te kunnen waarnemen wordt een
zogenaamd Hα -filter gebruikt. Dit laat alleen golflengtes door in een klein
golflengtegebied rond 656,28 nm . Deze golflengte komt voor in het
emissiespectrum van de chromosfeer, terwijl het spectrum van de
fotosfeer hier een absorptielijn heeft.
De Hα -golflengte komt overeen met een overgang in het
energieniveauschema van waterstof
231pGeef aan bij welke overgang deze golflengte hoort:
A tussen de grondtoestand en de eerste aangeslagen toestand
B tussen de grondtoestand en de tweede aangeslagen toestand
C tussen de eerste aangeslagen toestand en de tweede aangeslagen
toestand
D tussen de tweede aangeslagen toestand en de derde aangeslagen
toestand
Een Hα -filter bevat een zogenaamd etalon. Een etalon bestaat uit twee
plaatjes met half doorlatende spiegels die evenwijdig aan elkaar zijn
opgesteld, op enige afstand van elkaar. Wanneer een lichtstraal invalt,
kan deze worden gereflecteerd tussen de twee plaatjes. Bij de meeste
golflengtes vindt daarbij destructieve interferentie plaats. Sommige
golflengtes zullen door het filter juist wél doorgelaten worden. Zie figuur 4.
figuur 4
Bij een etalon in een Hα -filter vallen de lichtstralen vrijwel loodrecht in op
de eerste plaat (de hoek in de tekening is in figuur 4 overdreven
weergegeven). Bij elke reflectie treedt er een zogenaamde fasesprong op.
Dat wil zeggen dat de gereduceerde fase van de lichtstraal verandert met
½, maar omdat dit in het etalon telkens een even aantal keren plaatsvindt
hoef je hiermee geen rekening te houden.
De afstand d tussen beide plaatjes bepaalt welke golflengtes doorgelaten
worden. Voor deze golflengtes geldt:
Hierin is n een geheel getal
242pLeg met behulp van figuur 4 uit dat deze formule klopt.
Let op: de laatste vraag van dit examen staat op de volgende pagina.
Bij een Hα -filter is het etalon zo afgesteld dat de golflengte van 656,28 nm
maximaal wordt doorgelaten. Dit is echter niet de enige golflengte die
wordt doorgelaten. De doorlaatcurve van een etalon laat nooit slechts één
piek zien, maar altijd een serie van pieken. Zie de doorgetrokken grafiek
in figuur 5. Elke piek van deze grafiek correspondeert met een andere
waarde van n in formule (1).
figuur 5
Om alleen de Hα -golflengte zichtbaar te maken wordt een etalon
gecombineerd met een tweede filter. Dit is een standaardfilter dat een
relatief groot gebied rondom een vaste golflengte doorlaat. In figuur 5 is
de doorlaatcurve van dit tweede filter aangegeven met de onderbroken
lijn.
De breedte die de doorlaatcurve van het tweede filter maximaal mag
hebben, hangt af van de onderlinge afstand tussen de pieken, Δλn , in de
doorlaatcurve van het etalon.
Van een bepaald etalon is de onderlinge afstand tussen de platen d gelijk
aan 42,0 μ m .
254pVoer de volgende opdrachten uit:
− Bereken voor dit etalon de waarde van n die hoort bij de Hα -piek.
− Bereken de grootte van Δλn in deze situatie.
Bronvermelding
Een opsomming van de in dit examen gebruikte bronnen, zoals teksten en afbeeldingen, is te vinden in het bij dit examen
behorende correctievoorschrift.